Plattelandspost in Nederland vanaf 1807

Op 1 april 1807 werd voor het eerst in het nieuw geformeerde koninkrijk Holland een nationale postdienst doorgevoerd. Naast de postkantoren kwamen er onderkantoren en bijkantoren. Voor die tijd werd gewerkt met boden, entrepostes, bijkantoren, trekschuiten en postwagens.


Er waren in 1807 in het hele land 50 bijkantoren met een brievengaarder. Vooral in Holland langs de routes van de postkantoren waren er bijkantoren. De naam “kantoren” is te overdadig. Aan huis bij een brievengaarder konden brieven voor verzending worden afgegeven of door de langsrijdende postiljon worden afgegeven voor bestelling in de buurt.

In de tarieflijsten van de postkantoren van 1807 werden de porten voor het versturen van een brief tussen twee postkantoren vastgesteld.

Voor het traject van een bijkantoor naar een postkantoor en vice versa was extra port verschuldigd van 1 of ten hoogste 2 stuivers. Op het platteland werd niet besteld, brieven werden afgehaald van het bijkantoor.

De brievengaarder werkte meestal op provisie. Daarvoor werd per kantoor een contract opgesteld tussen de directeur van het postkantoor waaronder het bijkantoor ressorteerde en de brievengaarder. De provisie was veelal 1 st. voor een te versturen brief en 1 ½ st. voor een te brief van elders.

Vanaf 1 april 1811 werden de Hollandse departementen postaal ingedeeld bij de Franse posterijen met het centrale hoofdkantoor in Parijs. De indeling in soorten kantoren veranderde: postkantoren en distributiekantoren. Die distributiekantoren waren vooral de bijkantoren van voor 1 april 1811. Bij de start waren er 64 distributiekantoren in de 7 Hollandse departementen.

Tussen 1811 en 1829 kwamen daar 91 kantoren bij en tussen 1829 en 1850 nog eens 119 kantoren; zie bovenstaand overzicht.

Oprichting van distributiekantoren

Voor 1811

In 1795 waren Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen door de Fransen bezet en in departementen bij Frankrijk ingedeeld. Hier waren al voor 1 april 1811 enkele distributiekantoren.

In Limburg werd in Horn een eerste Frans distributiekantoor opgericht. Het geschreven merk de Horn is mogelijk van deze distributie.

In Staats-Vlaanderen werden Hulst en Sluis (L’Ecluse) gedegradeerd tot distributiekantoor.

De distributeur bleef zijn afgezonden brieven met de pen merken met Hulst, opvallend op de voorzijde van brieven zoals op postkantoren gebeurde!

De distributeurs werden in eerste instantie op een jaarvergoeding aangesteld, dus niet met provisie per brief. 

De Hollandse departementen van 1 april 1811 tot eind 1813

Promotie na 1 april 1811

In Parijs werd in september 1811 besloten, dat er in Delfzijl (Franse marine), Texel (ook Franse marine) en Heerenveen (hoofdplaats van een arrondissement) nieuwe postkantoren moesten komen. Daarom werden deze drie distributiekantoren gepromoveerd tot postkantoren.

Distributeurs waren niet verplicht hun brieven te merken met een vertrekmerk. Op postkantoren gebeurde dat wel. Met de zogenaamde Franse departementstempels, waarbij het nummer in het stempel het nummer van het departement was.

Toch zijn van enkele distributeurs postmerken van hun distributie bekend uit deze periode:

Bijvoorbeeld van Zwammerdam, plaats langs de postroute Leiden-Utrecht. Al voor 1799 was het bij de Hollandse Statenpost entreposte (tussenkantoor) en vanaf dat jaar is het stempel ZVVAMMERDAM (met de kenmerkende VV i.p.v. de W) op brieven bekend. Ook in de Franse tijd stempelde de distributeur op de achterzijde van brieven met dit stempel.

Een ander voorbeeld van een merk van de vertrekplaats is van het distributiekantoor Buren in de Betuwe. Ook op de voorzijde.

Het koninkrijk der Nederlanden 1813-1850

Het Franse postsysteem werd na 1813 op papier voortgezet. Maar er waren krachten in het nieuwe koninkrijk die streefden naar de situatie van voor 1795, minder centralisatie. De Fransen hadden een gedetailleerde regelgeving voor de post en daarbij voor de uitvoering een strenge controle. In het nieuwe koninkrijk was de regelgeving aanwezig, maar op de controle op de uitvoering werd bezuinigd. Er was te beperkt kennis en weinig ervaring met het postbedrijf. De dienstverlening aan de Nederlanders stond niet centraal, veeleer het exploiteren van een landelijke onderneming.

Degradatie van postkantoor naar distributiekantoor:

Een voorbeeld van degradatie tot distributiekantoor is Texel. De Fransen waren weg en het belang van het postkantoor op Texel was volgens de centrale postorganisatie marginaal. In 1814 werd Texel omgezet van postkantoor naar distributiekantoor. Maar …. De stempels die bij een postkantoor hoorden, werden niet ingeleverd. Ze bleven in gebruik tot na 1860! Dat geldt zowel voor het gewone departementstempel (118/TEXEL) als ook departementstempel voor gefrankeerde brieven (P.118.P./TEXEL). Het (gehate) departementsnummer werd omstreeks 1830 uit het stempel gekapt.

Ook Franeker degradeerde van postkantoor naar distributiekantoor. In de Franse tijd werd de Franeker universiteit gesloten, waarmee het volume van de correspondentie drastisch werd teruggebracht. In 1817 werd Franeker distributiekantoor, tot 1842 toen opnieuw de status van postkantoor werd bereikt.

Plaatswisseling van het ene distributiekantoor naar een ander distributiekantoor

De ontwikkeling van de infrastructuur in de negentiende eeuw is sterk mee bepalend geweest voor de ontwikkeling van de posterijen. Langs de Strobosser Trekvaart tussen Dokkum en Stroobos was er een wisselplaats voor (trek)schepen bij het Kollumer Tolhek. Bij deze wisselplaats was een gelijknamig distributiekantoor gevestigd, met een postale functie naar Buitenpost en Kollum. Van deze distributie zijn mij geen vertrekmerken bekend. Wel bestaan er enkele brieven met op de achterzijde met krijt een aanduiding: opbrengersgeld 1 st. Dat is het bestelgeld voor de loopjongen (letterlijk) die vanaf de aanlegplaats van een trekschip brieven bestelde in Buitenpost of Kollum. In Friesland en Groningen waren de vaarten met trekschepen niet alleen belangrijk voor personenvervoer, maar ook voor briefverkeer.

Rond 1830 werd er tussen Leeuwarden en Groningen gewerkt aan een verharde “steen”weg. In 1832 werd de distributie bij het Kollumer Tolhek opgeheven en daarvoor kwam in de plaats een nieuw distributiekantoor in Buitenpost, meteen in het logement De Posthoorn langs de nieuwe straatweg.

De distributeur van Buitenpost, Douwe Wadman, liet een stempel maken BUITENPOST/D.W. met een ovaal kader. Tot nog toe zijn 2 afdrukken gezien van dit stempel.

Limburg

Interessant is de ontwikkeling van de plattelandspost in Limburg. Rond 1820 was door de centrale postorganisatie een deel van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering overgeheveld naar de provincies. In Limburg werd door de gouverneur rond 1830 de administratieve briefwisseling uitgewerkt. Vooral de schriftelijke communicatie van de gemeenten naar de provincie en andersom moest daarbij gestroomlijnd worden. De Belgische Reactie van 1830 zorgde voor vertraging van de uitvoering van het Limburgse plan. In het nieuwe België werd veel van de Franse postorganisatie overgenomen. Er kwam een fijnmazig net van distributiekantoren en brievenbussen. Bodelopers liepen hun route en hadden per brievenbus een lettercode om hun brieven te merken. Heel aardig is dat bij de vrede in 1839 tussen België en Nederland deze typische Limburgse plattelandspost kon blijven bestaan, ja zelfs uitgebreid in de omgeving van Maastricht.

Provinciale en rijksdistributiekantoren

Ook de gouverneur van Gelderland nam initiatief om de postvoorziening in zijn provincie te verbeteren:

Uitgaande van het bestaande landelijke postnet werden op de witte vlekken op het platteland rond 1828 tientallen provinciale distributiekantoren opgericht. Tussen 1830 en 1850 werden vele van deze provinciale distributiekantoren gepromoveerd tot rijksdistributiekantoren. Bij de voorbereiding van de nieuwe postwet van 1850 werd een inventarisatie gemaakt van de bestaande distributiekantoren. Toen bleek dat in een aantal gevallen onduidelijk was of men met een provinciaal of landelijk distributiekantoor te maken had.

Nieuwe distributiekantoren

Tussen 1814 en 1850 breidde het aantal distributiekantoren zich uit tot 251 in 1850. Er was geen nationaal beleid voor de postvoorziening op het platteland. Stadsbesturen of gemeentebesturen stuurden een verzoek tot oprichting van een distributiekantoor. Soms werd dat toegestaan, vaak ook geweigerd.

Nieuwe situaties zoals de invoering van nieuwe postroutes, aanleg van verharde wegen, vestiging van fabrieken zorgden mee voor nieuwe distributiekantoren.

Vooral nu 1830 kwamen er nieuwe distributiekantoren onder andere in de provincies Friesland (10) en Groningen (9). Hier werd het accent verlegd van transport over water naar vervoer over de weg: sneller en regelmatiger.

Bergum (1848) en Drachten (1848) zijn Friese voorbeelden. Beide sloten aan op de route van de postkar tussen Groningen en Leeuwarden in Hardegarijp. Vooral voor Drachten was dat ongunstig, omdat daarmee de directe briefwisseling via Heerenveen en daarmee over het hele land werd geblokkeerd. In 1849 werd weer directe correspondentie met Heerenveen georganiseerd.

In Groningen werden tussen 1840 en 1845 negen nieuwe distributiekantoren opgericht. Tot 1840 was briefverkeer vanaf de stad Groningen met trekschepen en marktschuiten de normale manier van briefwisseling voor deze plaatsen.

Heel bijzonder was de situatie met het distributiekantoor De Bult, een buurtschap in Oost-Groningen langs de postroute tussen Winschoten en Nieuweschans. De distributie was nodig, omdat er van paarden gewisseld kon worden. Toen rond 1835 de inspecteur van de posterijen op het postkantoor in Winschoten kwam, informeerde hij naar het functioneren van de distributiekantoren in het ressort. “En hoe loopt het met uw distributie in De Bult” was de vraag van de rijksambtenaar aan de directeur in Winschoten. De laatste moest het antwoord schuldig blijven. Was daar een distributie?

Bij onderzoek bleek de distributeur in 1824 gestorven te zijn en nooit vervangen. Zijn naam: Bultena, o humor van de post!

Postmerken van distributiekantoren

Er zijn geen voorschriften over het merken van brieven op distributies. Maar geschreven merken komen veelvuldig voor, meestal op de achterzijde. Stempels werden bijna altijd op eigen initiatief besteld en gebruikt. Vanaf 1829 werd op postkantoren meer uniformiteit in het stempelen voor vertrek en bij aankomst ingevoerd. Met de dagtekeningstempels was na te gaan of een brief eventueel vertraagd was. Bij distributiekantoren werd het merken na 1829 steeds meer een gewoonte.

Enkele distributiekantoren van Goeree-Overflakkee gingen hun oude tractaatstempels (gemaakt door de firma Masson in Parijs) van 1809 opnieuw uit de la halen en gebruiken.

In Hilversum sneed de distributeur met een gutsje een stempeltje HILVERSUM. Na vier jaar gebruik werd een nieuw rondstempeltje gebruikt.

Enkele kantoren breidden de functie van hun postmerk uit met daarbij de notering van de datum van verzending. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Zeist. Zeist bij Utrecht was een relatief belangrijk distributiekantoor met een distributeur en twee assistentes.

Bijzonder is de functie van de stempels van Steenwijk en Wolvega, beide ressorterend onder Heerenveen. Op initiatief van de directeur van het postkantoor in Heerenveen werd gevraagd de postverzending van beide distributies te versnellen.

Daarvoor werden de stempels S/HEEREVEEN en W/HEEREVEEN  vanuit den Haag naar Heerenveen gestuurd voor gebruik in Steenwijk en Wolvega. Brieven gestempeld met een van deze stempels hoefden niet op het postkantoor te worden afgegeven, maar konden meteen met de postiljon mee door naar bijvoorbeeld Leeuwarden. Daarmee werd de bezorging met een dag versneld.

Waddinxveen in Zuid-Holland lag langs de postroute tussen Alphen aan de Rijn en Rotterdam. Daarom was er al in 1773 een entreposte (tussenkantoor). De beheerder van deze entreposte merkte zijn brieven op de achterzijde met een stempel met enkele de letter W. Niet voor iedereen was meteen duidelijk dat hiermee niet Wageningen, Willemstad of  Waalwijk werd aangeduid.

Vanaf 1822 was Schagerbrug in Noord-Holland – langs de route Alkmaar-Den Helder – distributiekantoor. In de eerste jaren schreef de distributeur zijn plaatsnaam op de achterzijde. Maar vanaf 1836 tot 1846 gebruikte hij een stempel SCHAGERBRUG  en stempelde daarmee met rode inkt. Vanaf 1846 is ook een stempeltje STOLPER/BRUG in ovaal kader bekend. Ook Stolperbrug, iets noordelijker, lag aan dezelfde postroute. Bij de inventarisatie bij de centrale postadministratie in 1850 was alleen Schagerbrug bekend als distributiekantoor. Dus er was een raadsel. Oplossing: de distributeur was in 1846 overleden, zijn vrouw nam als distributrice het werk over. En ging even verderop bij iemand in Stolperbrug inwonen, dus was een nieuw stempeltje nodig.

Zeldzaam zijn de brieven met alleen merken van distributiekantoren en niet van een postkantoor.

Een briefschrijver uit Terwispel bracht zijn brief naar het distributiekantoor te Gorredijk. De brief was bestemd voor iemand in Beetsterzwaag, daar was ook een distributiekantoor. De afzender betaalde de kosten vooruit in Gorredijk. In schipperskringen noemde men dat vrachtvrij, bij de post port betaald. Om misverstand te voorkomen werd erbij genoteerd “aan huis”, daarmee aangevend dat de brief bij de geadresseerde besteld moest worden zonder bestelkosten te rekenen.

Hoe zit dat met de provisie e.d.?

De provisie van een distributeur gold lange tijd voor zowel afgaande als aankomende brieven.

Voor afgaande brieven meestal 2 ½ cent per brief en voor aankomende brieven meestal 5 cent per brief.

Maar niet altijd, want de distributeur in Gorredijk inde 2½ cent voor aankomende brieven. Die provisie wordt ook wel collecteloon en distributieloon genoemd. Vanaf 1848 moest een distributeur een brievenbus aan huis hebben. Voor afgaande brieven ontving hij niet meer collectegeld.

Voor het eventueel bestellen van brieven door de distributeur kon deze bovenop het distributieloon bestelgeld vragen. De hoogte was afhankelijk van de afstand tot het distributiekantoor. Voor bestellen buiten de bebouwde kom kon hoger bestelloon gerekend worden. Voorbeeld is de brief van Wangerooge naar Schiermonnikoog. Vanaf Dokkum neemt een bode de brief mee naar Oostmahorn, daar ligt de veerboot naar het eiland en op het eiland moet de brief besteld worden. Vele handen, vele kosten.

Daarmee was briefverkeer voor bewoners van het platteland bijzonder duur. Naast het port tussen postkantoren kwam distributieloon en eventueel nog bestelloon. Dan is nog niet gerekend met gemeentelijke of particuliere boden die in eigen beheer vanaf distributiekantoren naar plaatsen liepen zonder enige postvoorziening.

Circulaire = rondzendbrief

Illustratief voor het besparen op portkosten is het systeem van de rondzendbrief. Vanuit de stad Appingedam via de stad Groningen worden gemeenten geïnformeerd. De brief is geadresseerd aan  de burgemeester van Ulrum. De bode brengt de brief en neemt hem even later op zijn mee naar Kloosterburen om na een korte pauze dezelfde brief door te geven naar Leens. Alles op dezelfde dag met parafen van de lezers.

Aanvullende postvoorzieningen voor 1850

Primaire voorzieningen waren de postkantoren. Secundair de distributiekantoren, waarbij de plattelandspost in Limburg met de busletters en de provinciale distributies in Gelderland. Daarbij werden lange tijd nog (trek)schuiten diligences en postwagens gebruikt voor briefvervoer.

Nieuw was van 1844 het vervoer van brieven met de trein.

Dat gebeurde vanaf 1850 door de posterijen. Daarvoor maakten expeditiediensten en soms particulieren gebruik van treinverkeer. Zie bovenstaande brief uit 1849 van Annhem naar Ede met treinetiket. Vracht: 10 ct in roze inkt aangebracht.

De ontwikkeling van dit verkeer was een zeer goede investering in de verbetering van de postvoorziening, juist ook voor de regelmatige bereikbaarheid van kleinere plaatsen.

Met de nieuwe postwet van 1850 kwam er meer accent te liggen op de service voor het publiek. Distributiekantoren werden hulpkantoren. Distributeurs werden brievengaarders. Er kwamen tientallen nieuwe routes bij.