De fascinerende filatelie van Hertogdom Braunschweig

Originele en artistieke ontwerpen, afwijkend van de traditionele staatshoofden en waardeaanduidingen, hebben tot op de dag van vandaag op verzamelaars een grote aantrekkingskracht gehad. Aan de rij van fameuze benamingen van dergelijke vroege postzegels als de ossenogen van Brazilië uit 1843, het Basler Duifje uit 1845 en de Moldavische ossenkoppen van 1858 kunnen eigenlijk ook het ruim 160 jaar geleden uitgegeven Braunschweigse Welfen- of Saksenros toegevoegd worden. Toch wordt deze uitgave uit 1852 van Duitse bodem, net als de iets latere Mecklenburgse stierenkoppen (1855) zelden in één adem met de andere uitgaven genoemd. Wellicht dat de relatieve onbekendheid met deze kleinere Oud-Duitse staat hier mede ten grondslag aan ligt. Ten onrechte; ook na ruim 160 jaar heeft juist het hertogdom Braunschweig met zijn 20 katalogushoofdnummers onafgebroken veelvuldig spannende en fascinerende aspecten te bieden, niet alleen voor hen die hiermee voor het eerst in aanraking komen, maar ook voor gevorderden.

De introductie van eigen postzegels

Het voor die tijd unieke ontwerp van Carl Petersen met het landswapen in de vorm van een springend paard in ovaal is nodig aangezien het hertogdom Braunschweig op 1 januari 1852 toetreedt tot de enkele jaren daarvoor opgerichte Duits-Oostenrijkse postvereniging, en in navolging van reeds toegetreden staten zoals Bayern, Saksen, Pruisen, Holstein en Hannover postzegels ter frankering van zendingen naar de postvereniging uitgeeft. Als gevolg hiervan zijn op die datum drie in boekdruk vervaardigde postzegels verkrijgbaar in de waarden 1, 2, en 3 Silbergroschen (Sgr) op papier voorzien van rode gom zonder watermerk, welke de binnen de postvereniging geldende afstands- en gewichtsafhankelijke tarieven afdekken (MiNr. 1-3). De denominatie in Silbergroschen sluit aan bij de overeengekomen valuta in de noordelijke staten, met Pruisen als meest vooraanstaande staat, wat betreft correspondentie binnen de postvereniging.

De binnen het hertogdom gebruikte betaalmunt was echter een andere: de Gutegroschen. Omdat de onderlinge waarde tussen de iets duurdere Gutegroschen (1 Ggr = 1¼ Sgr) en op de zegels weergegeven Silbergroschen echter niet dezelfde was, werden om de verrekening te gemakkelijken de zegels aan de loketten uitsluitend in horizontale stroken van 10 zegels afgegeven. Om deze reden vinden we bijna uitsluitend horizontale eenheden (afb. 2), die sowieso op zich al bijzonder zijn, en zijn verticale eenheden grote zeldzaamheden. Aanvankelijk komen ook nog veelveeldig baar gefrankeerde en ongefrankeerde brieven voor, en de nieuwe postzegels waren ook niet direkt een aanleiding om nieuwe stempels in te voeren. In de beginjaren zijn dan ook nog veel voor-filatelistische stempels op de zegels te vinden, iets dat een spannend verzamelgebied op zich zelf vormen kan, met name als het gaat om de kleinere plaatsen met een slechts gering postaanbod (Afb. 1). Aangezien de eerste uitgave volledig postaal is opgebruikt, zijn ongebruikte exemplaren met zelfs maar een restje van de originele rode gom grote rariteiten.

Navolgende emissies

De eerste postverenigingsemissie (MiNr. 1-3) wordt reeds na iets meer dan een jaar op 1 maart 1853 vervangen door een tweede emissie in zwart op gekleurd papier met omkaderd posthoorn watermerk (MiNr. 6-8). Deze zegels zijn uiteindelijk de langstlopende Braunschweigse emissie, met een periode van 8-11 jaar, afhankelijk van de waarde. Dit verklaart ook het voorkomen van verschillende kleuren, papierdikte en watermerkvariaties (kopstaand, spiegelverkeerd), die ook gespecialiseerd verzameld worden. Gebruikte eenheden tot aan blokken van vier komen vaker voor, al zijn ongebruikte eenheden zeer zeldzaam.

Behalve de nieuwe zegels op gekleurd papier volgen in 1855 ook postwaardestukken in 2 formaten, eveneens in de waarden 1, 2, en 3 Silbergroschen, en op 1 maart 1856 een speciale drukwerkzegel van ⅓ Silbergroschen voor drukwerk binnen de gehele postvereniging. Deze laatste is vanwege zijn typische gebruik, waarbij de vaak gedeeltelijk op de adreswikkel en gedeeltelijk op het drukwerk zelf geplakte zegel kapot ging bij het openen van het drukwerk en het gegegeven dat drukwerk vaak werd weggegooid, volledig intact gebruikt zeldzaam.

Hoewel de buitenlandse, postverenigingstarieven, uitgedrukt waren in Silbergroschen, waren de binnenlandse tarieven uitgedrukt in de landsmunt Gutegroschen. De afwijkende pariteit tussen de Silbergroschen valuta van de postverenigingszegels en de binnenlandse Gutegroschen (1 Ggr = 1¼ Sgr), maakte dat deze zegels voor binnenlands verkeer niet optimaal waren. Het was echter niet verboden om de zegels ook voor binnenlandse post te gebruiken. Het loont zich dan ook speciaal op het adres van brieven met deze zegels te letten. Voor bepaalde tarieven dekte de postverenigingszegel het verschuldigde porto af. De lichte overfrankering stak de post in zo’n geval in eigen zak. In een tijd waar men zich de waarde van geld nog precies bewust was, is het evident dat dergelijke brieven niet al te vaak op deze manier werden gefrankeerd (Afb. 2). Kennis van de tarieven en posthistorische kennis betaalt zich uit, ook vandaag de dag kan nog een koopje gevonden worden!

Eindelijk een binnenlandse zegel

Al die tijd had men in het hertogdom Braunschweig geen zegels beschikbaar om de binnenlandse brieven exact mee te frankeren, en maakte men gebruik van bare frankering of verstuurde men zijn post nog steeds ongefrankeerd. Het zou nog tot 1856 duren, ruim 4 jaar dus na het invoeren van de eerste postverengingszegels, voordat ook een speciale binnenlandse zegel van ¼ Gutegroschen in het zelfde ontwerp met het springende paard werd uitgegeven. De binnenlandse tarieven waren gewichts- en afstandsafhankelijk en bedroegen veelvouden van ¼ Gutegroschen. Hierdoor waren zelfs voor de eenvoudige tarieven al snel meerdere zegels noodzakelijk, zodat brieven vaak te weinig ruimte overlieten (Afb. 3). Uit filatelistisch oogpunt leidt dit natuurlijk wel tot spectaculaire frankeringen!

Het zal duidelijk zijn dat het formaat van de binnenlandse zegel in het dagelijks gebruik niet optimaal was. Het duurde dan ook maar iets meer dan een jaar, voordat de Braunschweigse post het tot dan toe gebruikte ontwerp door een nieuw verving. Duidelijk geinspireerd door de Mecklenburgse post, gaf de Braunschweigse post een deelbare zegel van 4/4 Gutegroschen uit, waarbij desgewenst één of meerdere kwarten uitgesneden konden worden (MiNr. 9). De plaatsbesparing was evident en functioneerde naar tevredenheid. De zegel leende zich ook uitstekend voor het reeds vooraf voldoen van het bestelgeld, dat in Braunschweig ¼ Ggr in plaatsen met een postkantoor bedroeg, en ½ Ggr voor bestemmingen op het platteland (Afb. 4). Samen met de twee verschillende papiersoorten, het voorkomen van watermerkafwijkingen, het diverse gebruik bijvoorbeeld ook voor stadspost, drukwerk en kwitantieboeken, en de relatief gunstige katalogusprijs van de zegel op brieven, leent zich geen andere Braunschweigse zegel er voor om als divers onderwerp voor vergaande verdieping en specialisatie te dienen. Het gebruik van deze zegel is vanwege de afwijkende munteenheid op brieven binnen het postverenigingsgebied schaars, en zijn voornamelijk in de latere jaren als veelvouden van 5 en 10 kwarten als opruimfrankeringen te vinden, waarbij elk kwart als 3 Pfennig werd gerekend.

Een munthervorming met gevolgen

Op 1 januari 1858 deed zich in het hertogdom Braunschweig een belangrijke munthervorming voor. De tot dan toe in gebruik zijnde Gutegroschen, die altijd in 12 Gutepfennig verdeeld was, werd vervangen door een (nieuwe) Groschen, die nu nog maar in 10 (nieuwe) Pfennig verdeeld was. Eén van de belangrijke consequenties was, dat het eerder genoemde verschil tussen de voorheen gebruikte Gutegroschen en de binnen de postvereniging gebruikte Silbergroschen nu niet meer bestond. De (nieuwe) Groschen die binnen het hertogdom ingevoerd werd, was in waarde gelijk aan de Silbergroschen. Aangezien de Braunschweigse post maar liefst 5 jaar (!) nodig had om ook de binnenlandse posttarieven aan te passen, had dit interessante gevolgen voor de binnenlandse post. Gedurende deze periode vinden we dan ook in het binnenlands postverkeer filatelistisch interessante mengfrankeringen tussen postverenigingszegels en de deelbare zegel, MiNr. 9. Tussentijds verving de Braunschweigse post de gangbare 1 Silbergroschen en 3 Silbergroschen zegels nog door nieuwe uitgaven in enigszins gewijzigde kleuren (MiNr. 11, 12).

Als de posttarieven per 1 januari 1863 dan eindelijk ook aan de nieuwe landsmunt worden aangepast en gewichtsafhankelijk op veelvouden van 1 (nieuwe) Groschen worden vastgesteld, ongeacht de afstand, kunnen de postverenigingszegels nu ook onbeperkt voor zowel binnen- als buitenlands postverkeer gebruikt worden. Voor de buitenlandse tarieven die nogal eens op halve Groschen eindigden, werd een nieuwe waarde van ½ Groschen in een iets afwijkende layout uitgegeven (MiNr. 10). De zegel diende echter ook om het landpostbestelgeld te voldoen, dat nu op ½ Groschen (= 5 Pfennig na de munthervorming van 1858) was vastgesteld (Afb. 5). Van zowel deze zegel als ook de deelbare 4/4 Gutegroschen zegel (MiNr. 9a) zijn nog grotere restbestanden bewaard gebleven, zodat ongebruikte zegels eerder de regel dan uitzondering zijn en echt gebruikte exemplaren duurder gehandeld worden. De eerste oplage van de deelbare zegel daarentegen (MiNr. 9b) is ongebruikt uitermate zeldzaam. De prijsnotering in de Michel-katalogus geeft de werkelijkheid niet weer, iets dat men zich zal realiseen zodra men probeert een dergelijke zegel ongebruikt te vinden.

De spannende doorstoken uitgaven

De periode van medio 1864 is een hele spannende in de Braunschweigse filatelie. Het postvolume was vergeleken met de begindagen inmiddels aanzienlijk toegenomen, en men wilde door middel van perforatie, beter gezegd een primitieve vorm van doorsteek, het arbeidsintensieve en tijdrovende uit vellen knippen van zegels versnellen. De Braunschweigse post had met deze vorm van perforatie nog geen eigen ervaring opgedaan, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze hiermee eerst een aantal verschillende doorsteekproeven doorvoerde. Een klein aantal vellen van enkele op dat moment nog regulier voorhanden zegels waarmee perforatieproeven zijn doorgevoerd is echter ook postaal opgebruikt! De oplagen van deze zegels zijn dus uitermate klein, en echt gebruikte doorsteekproeven, zeker met volledig intakte doorsteek, zijn zeer zeldzaam.

De perforatievorm kon kennelijk wel de goedkeuring van de Braunschweigse postdirektie wegdragen, en eind 1864 werden de gangbare reguliere zegels nu ook voorzien van doorsteek in omloop gebracht (MiNr. 13A, 15A, 16A; Afb. 6). De 1 Silbergroschen zegel werd in een volledig nieuwe kleur, geel op wit papier, in twee doorsteekvariaties in omloop gebracht (MiNr. 14A, 14B). Een officiële eerste dag van uitgifte bestaat niet. De Braunschweigse post beschouwde de perforatievorm niet als aparte uitgave, en bracht de zegels binnen korte tijd onaangekondigd in omloop. Met name de doorstoken drukwerkzegel van ⅓ Silbergroschen (MiNr. 13A) is gebruikt zeldzaam, en geldt als één van de duurdere reguliere zegels van Braunschweig. De zegels waren primitief doorstoken, en werden ondanks deze perforatiemethode veelal nog steeds met een schaar uit de vellen geknipt, zodat exemplaren met volledig intakte doorsteek aan alle zijden minder eenvoudig te vinden zijn. Met name bij de proefdoorsteken is het verstandig alleen aktueel BPP-gekeurde exemplaren aan te schaffen.

De laatste uitgave uit 1865

Kort voor het einde van de postale zelfstandigheid kwam de Braunschweigse post nog met een volledig nieuw ontwerp en uitgave in oktober 1865, in filatelistische kringen veelal als ‘wapenzegel’ aangeduid. Wederom stond het springende Welfenros centraal, nu uitgevoerd in preegdruk in een staand ovaal. De kleuren van de zegels en postwaardestukken waren, met uitzondering van de zwarte ⅓ Groschenzegel, aangepast aan de gangbare postverenigingskleuren voor elke afstandscategorie (Afb. 7, 8). Van de laatste postverenigingsuitgave zijn eveneens nog grotere restbestanden bewaard gebleven. Echt gestempelde exemplaren worden duurder gewaardeerd dan ongebruikte exemplaren, die nog in grote eenheden voorhanden zijn.

Een liefdesgeschiedenis van twee verloofden

Uit deze periode dateert ook een bewaard gebleven romantische correspondentie van twee verloofden, Auguste Siedentopf uit het kleine Flechtorf bij Lehre en de leraar Heinrich Heuer uit Goslar, dan gelegen in het aangrenzende koninkrijk Hannover. Beide geliefden onderhouden een intensieve briefwisseling, maar het kleine Flechtorf wordt alleen door de postkoets op de route van Vorsfelde naar Braunschweig aangedaan om daar de paarden te wisselen. De brieven die rechtstreeks bij de postiljon werden opgegeven kenmerken zich dan ook door vele handgeschreven postale kenmerken, die soms door tijdgebrek pas tijdens het resterende deel van de reis werden aangebracht, soms pas door middel van een poststempel in Braunschweig (Afb. 9). Hoewel de inhoud van de brieven de tijd niet overleefd heeft, bevinden zich op vele brieven aan de binnenzijde van de flap vaak nog zeer persoonlijke liefdesgroeten, die ons ook na 160 jaar op intieme wijze fantastisch deelgenoot maken van vervlogen tijden.

Braunschweig ook anders verzamelen

Het hertogdom Braunschweig was ook een van de eerste Duitse staten die in juni 1865 het systeem van geld overschrijven sterk vereenvoudigde, door het invoeren van postwissels met ingedrukte waardestempels. Hoewel dergelijke kaarten na uitbetaling bij de post verbleven, hebben we dankzij latere openbare veilingen de beschikking over veel filatelistisch interessant materiaal, dat zich met de verschillende drukken en versies uitermate leent voor het opzetten van een afzonderlijke verzameling. Additioneel met zegels gefrankeerde postwissels komen om uiteenlopende redenen voor, zoals bijvoorbeeld ten gevolge van het toevoegen van briefmededelingen, iets dat niet toegestaan was en door de post streng werd nageleefd (Afb. 10). Dergelijke postwissels vormen uiteraard een bijzonder mooie toevoeging, die ook de soms precisieuse handelswijze van de post uit die tijd tot leven brengt.

Een spannend, maar ook uitdagender deelgebied vormen de buitenlandse brieven van het hertogdom Braunschweig. Dergelijk materiaal is door de relatief weinig bewaard gebleven stukken sowieso schaars tot zeer zeldzaam, maar vormt door de combinatie van zegels, verzendingswegen, bestemmingen en tarieven ook een uitdagend gebied. Als dan meerdere facetten samenkomen op één brief, kan het filatelistische hart wel eens sneller gaan kloppen.

Stempelverzamelaars komen bij Braunschweig vol aan hun trekken. Naast de al eerder genoemde voorfilatelistische stempelveelzijdigheid, werden in het hertogdom Braunschweig in 1856 ook door het gehele land nummerstempels ingevoerd, waarbij aanvankelijk een alfabetische volgorde werd gehanteerd bij het verdelen van de nummers. Het aantal vergeven nummers is overzichtelijk: 50 stuks, inclusief het slechts heel kort in gebruik geweeste noodstempel ’50.’ uit Braunschweig, waarvan de beroemde ‘Krupp’-brief niet lang geleden weer op een Duitse veiling was. De nummerstempels laten zich uitermate goed verzamelen op verschillende uitgaven, en zijn dan ook een gewild onderwerp. Met de overgang naar het Noordduitse Postbezirk op 1 januari 1868 eindigde de postale zelfstandigheid van het hertogdom Braunschweig. Naast de postwaardestukken die overdrukt werden opgebruikt werden uiteraard de gangbare (nummer)stempels aanvankelijk gewoon verder gebruikt. De verder gebruikte Braunschweigse stempels op NDP-zegels vormen dan ook, mede door de vele nog mogelijke vondsten en lage prijzen, een geliefd verzamelonderwerp.

Er zijn nog vele andere interessante deelgebieden, die hier niet allemaal in detail besproken kunnen worden, maar daarom niet minder veelzijdig zijn. Wat te denken van voorafstempelingen, halveringen, pakketbrieven, postvoorschotten, cholerapost, veldpost, de Franse invloed tijdens de Westphaalse tijd, postkwitanties etc. etc. etc.?

Hopelijk heeft dit overzichtsartikel laten zien dat de filatelie en voor-filatelie van het hertogdom Braunschweig een fascinerend en veelzijdig gebied is voor eenieder, ongeacht het ervaringsniveau en geldbuidel. Het is in ieder geval raadzaam op kwaliteit te letten. Zoals bij vrijwel alle klassieke gebieden komen reparaties nogal eens voor, die soms dermate goed uitgevoerd zijn, dat ze niet zonder meer herkenbaar zijn. Vervalsingen spelen geen grote rol bij Braunschweig. De voorkomende gevallen zijn meestal dermate primitief dat ze zonder veel ervaring al eenvoudig te herkennen zijn. Valse afstempelingen kunnen met name bij de exemplaren waarvan nog grote bestanden zijn overgebleven, en die dientengevolge gestempeld duurder zijn dan ongebruikt, voorkomen. Bij twijfel kan hier de onafhankelijke raad en expertise van derden, zoals de hiervoor opgestelde BPP-keurmeesters, verder helpen. Mocht uw interesse zijn aangewakkerd, dan kan de werkgroep (“Arge”) Hannover + Braunschweig in Duitsland u hierbij op een enthousiaste wijze helpen verder wegwijs te worden in de filatelie van Braunschweig. Ze vormt een onmisbare bron van kennis en ervaring. Voor meer informatie kunt u uiteraard ook altijd contact opnemen met de auteur.