Postverdragen

Op deze pagina kunnen de postverdragen die door de Academie zijn verzameld in digitale vorm worden bekeken. Sommige daarvan zijn vrij groot, waardoor het laden daarvan enige tijd kan vergen.

Ottawa, 3 oktober 1957:                Engelse tekst           Franse tekst (pag. 1 - 175)           Franse tekst (pag. 175 - einde)

 

De fascinerende filatelie van Hertogdom Braunschweig

Originele en artistieke ontwerpen, afwijkend van de traditionele staatshoofden en waardeaanduidingen, hebben tot op de dag van vandaag op verzamelaars een grote aantrekkingskracht gehad. Aan de rij van fameuze benamingen van dergelijke vroege postzegels als de ossenogen van Brazilië uit 1843, het Basler Duifje uit 1845 en de Moldavische ossenkoppen van 1858 kunnen eigenlijk ook het ruim 160 jaar geleden uitgegeven Braunschweigse Welfen- of Saksenros toegevoegd worden. Toch wordt deze uitgave uit 1852 van Duitse bodem, net als de iets latere Mecklenburgse stierenkoppen (1855) zelden in één adem met de andere uitgaven genoemd. Wellicht dat de relatieve onbekendheid met deze kleinere Oud-Duitse staat hier mede ten grondslag aan ligt. Ten onrechte; ook na ruim 160 jaar heeft juist het hertogdom Braunschweig met zijn 20 katalogushoofdnummers onafgebroken veelvuldig spannende en fascinerende aspecten te bieden, niet alleen voor hen die hiermee voor het eerst in aanraking komen, maar ook voor gevorderden.

De introductie van eigen postzegels

Het voor die tijd unieke ontwerp van Carl Petersen met het landswapen in de vorm van een springend paard in ovaal is nodig aangezien het hertogdom Braunschweig op 1 januari 1852 toetreedt tot de enkele jaren daarvoor opgerichte Duits-Oostenrijkse postvereniging, en in navolging van reeds toegetreden staten zoals Bayern, Saksen, Pruisen, Holstein en Hannover postzegels ter frankering van zendingen naar de postvereniging uitgeeft. Als gevolg hiervan zijn op die datum drie in boekdruk vervaardigde postzegels verkrijgbaar in de waarden 1, 2, en 3 Silbergroschen (Sgr) op papier voorzien van rode gom zonder watermerk, welke de binnen de postvereniging geldende afstands- en gewichtsafhankelijke tarieven afdekken (MiNr. 1-3). De denominatie in Silbergroschen sluit aan bij de overeengekomen valuta in de noordelijke staten, met Pruisen als meest vooraanstaande staat, wat betreft correspondentie binnen de postvereniging.

De binnen het hertogdom gebruikte betaalmunt was echter een andere: de Gutegroschen. Omdat de onderlinge waarde tussen de iets duurdere Gutegroschen (1 Ggr = 1¼ Sgr) en op de zegels weergegeven Silbergroschen echter niet dezelfde was, werden om de verrekening te gemakkelijken de zegels aan de loketten uitsluitend in horizontale stroken van 10 zegels afgegeven. Om deze reden vinden we bijna uitsluitend horizontale eenheden (afb. 2), die sowieso op zich al bijzonder zijn, en zijn verticale eenheden grote zeldzaamheden. Aanvankelijk komen ook nog veelveeldig baar gefrankeerde en ongefrankeerde brieven voor, en de nieuwe postzegels waren ook niet direkt een aanleiding om nieuwe stempels in te voeren. In de beginjaren zijn dan ook nog veel voor-filatelistische stempels op de zegels te vinden, iets dat een spannend verzamelgebied op zich zelf vormen kan, met name als het gaat om de kleinere plaatsen met een slechts gering postaanbod (Afb. 1). Aangezien de eerste uitgave volledig postaal is opgebruikt, zijn ongebruikte exemplaren met zelfs maar een restje van de originele rode gom grote rariteiten.

Navolgende emissies

De eerste postverenigingsemissie (MiNr. 1-3) wordt reeds na iets meer dan een jaar op 1 maart 1853 vervangen door een tweede emissie in zwart op gekleurd papier met omkaderd posthoorn watermerk (MiNr. 6-8). Deze zegels zijn uiteindelijk de langstlopende Braunschweigse emissie, met een periode van 8-11 jaar, afhankelijk van de waarde. Dit verklaart ook het voorkomen van verschillende kleuren, papierdikte en watermerkvariaties (kopstaand, spiegelverkeerd), die ook gespecialiseerd verzameld worden. Gebruikte eenheden tot aan blokken van vier komen vaker voor, al zijn ongebruikte eenheden zeer zeldzaam.

Behalve de nieuwe zegels op gekleurd papier volgen in 1855 ook postwaardestukken in 2 formaten, eveneens in de waarden 1, 2, en 3 Silbergroschen, en op 1 maart 1856 een speciale drukwerkzegel van ⅓ Silbergroschen voor drukwerk binnen de gehele postvereniging. Deze laatste is vanwege zijn typische gebruik, waarbij de vaak gedeeltelijk op de adreswikkel en gedeeltelijk op het drukwerk zelf geplakte zegel kapot ging bij het openen van het drukwerk en het gegegeven dat drukwerk vaak werd weggegooid, volledig intact gebruikt zeldzaam.

Hoewel de buitenlandse, postverenigingstarieven, uitgedrukt waren in Silbergroschen, waren de binnenlandse tarieven uitgedrukt in de landsmunt Gutegroschen. De afwijkende pariteit tussen de Silbergroschen valuta van de postverenigingszegels en de binnenlandse Gutegroschen (1 Ggr = 1¼ Sgr), maakte dat deze zegels voor binnenlands verkeer niet optimaal waren. Het was echter niet verboden om de zegels ook voor binnenlandse post te gebruiken. Het loont zich dan ook speciaal op het adres van brieven met deze zegels te letten. Voor bepaalde tarieven dekte de postverenigingszegel het verschuldigde porto af. De lichte overfrankering stak de post in zo’n geval in eigen zak. In een tijd waar men zich de waarde van geld nog precies bewust was, is het evident dat dergelijke brieven niet al te vaak op deze manier werden gefrankeerd (Afb. 2). Kennis van de tarieven en posthistorische kennis betaalt zich uit, ook vandaag de dag kan nog een koopje gevonden worden!

Eindelijk een binnenlandse zegel

Al die tijd had men in het hertogdom Braunschweig geen zegels beschikbaar om de binnenlandse brieven exact mee te frankeren, en maakte men gebruik van bare frankering of verstuurde men zijn post nog steeds ongefrankeerd. Het zou nog tot 1856 duren, ruim 4 jaar dus na het invoeren van de eerste postverengingszegels, voordat ook een speciale binnenlandse zegel van ¼ Gutegroschen in het zelfde ontwerp met het springende paard werd uitgegeven. De binnenlandse tarieven waren gewichts- en afstandsafhankelijk en bedroegen veelvouden van ¼ Gutegroschen. Hierdoor waren zelfs voor de eenvoudige tarieven al snel meerdere zegels noodzakelijk, zodat brieven vaak te weinig ruimte overlieten (Afb. 3). Uit filatelistisch oogpunt leidt dit natuurlijk wel tot spectaculaire frankeringen!

Het zal duidelijk zijn dat het formaat van de binnenlandse zegel in het dagelijks gebruik niet optimaal was. Het duurde dan ook maar iets meer dan een jaar, voordat de Braunschweigse post het tot dan toe gebruikte ontwerp door een nieuw verving. Duidelijk geinspireerd door de Mecklenburgse post, gaf de Braunschweigse post een deelbare zegel van 4/4 Gutegroschen uit, waarbij desgewenst één of meerdere kwarten uitgesneden konden worden (MiNr. 9). De plaatsbesparing was evident en functioneerde naar tevredenheid. De zegel leende zich ook uitstekend voor het reeds vooraf voldoen van het bestelgeld, dat in Braunschweig ¼ Ggr in plaatsen met een postkantoor bedroeg, en ½ Ggr voor bestemmingen op het platteland (Afb. 4). Samen met de twee verschillende papiersoorten, het voorkomen van watermerkafwijkingen, het diverse gebruik bijvoorbeeld ook voor stadspost, drukwerk en kwitantieboeken, en de relatief gunstige katalogusprijs van de zegel op brieven, leent zich geen andere Braunschweigse zegel er voor om als divers onderwerp voor vergaande verdieping en specialisatie te dienen. Het gebruik van deze zegel is vanwege de afwijkende munteenheid op brieven binnen het postverenigingsgebied schaars, en zijn voornamelijk in de latere jaren als veelvouden van 5 en 10 kwarten als opruimfrankeringen te vinden, waarbij elk kwart als 3 Pfennig werd gerekend.

Een munthervorming met gevolgen

Op 1 januari 1858 deed zich in het hertogdom Braunschweig een belangrijke munthervorming voor. De tot dan toe in gebruik zijnde Gutegroschen, die altijd in 12 Gutepfennig verdeeld was, werd vervangen door een (nieuwe) Groschen, die nu nog maar in 10 (nieuwe) Pfennig verdeeld was. Eén van de belangrijke consequenties was, dat het eerder genoemde verschil tussen de voorheen gebruikte Gutegroschen en de binnen de postvereniging gebruikte Silbergroschen nu niet meer bestond. De (nieuwe) Groschen die binnen het hertogdom ingevoerd werd, was in waarde gelijk aan de Silbergroschen. Aangezien de Braunschweigse post maar liefst 5 jaar (!) nodig had om ook de binnenlandse posttarieven aan te passen, had dit interessante gevolgen voor de binnenlandse post. Gedurende deze periode vinden we dan ook in het binnenlands postverkeer filatelistisch interessante mengfrankeringen tussen postverenigingszegels en de deelbare zegel, MiNr. 9. Tussentijds verving de Braunschweigse post de gangbare 1 Silbergroschen en 3 Silbergroschen zegels nog door nieuwe uitgaven in enigszins gewijzigde kleuren (MiNr. 11, 12).

Als de posttarieven per 1 januari 1863 dan eindelijk ook aan de nieuwe landsmunt worden aangepast en gewichtsafhankelijk op veelvouden van 1 (nieuwe) Groschen worden vastgesteld, ongeacht de afstand, kunnen de postverenigingszegels nu ook onbeperkt voor zowel binnen- als buitenlands postverkeer gebruikt worden. Voor de buitenlandse tarieven die nogal eens op halve Groschen eindigden, werd een nieuwe waarde van ½ Groschen in een iets afwijkende layout uitgegeven (MiNr. 10). De zegel diende echter ook om het landpostbestelgeld te voldoen, dat nu op ½ Groschen (= 5 Pfennig na de munthervorming van 1858) was vastgesteld (Afb. 5). Van zowel deze zegel als ook de deelbare 4/4 Gutegroschen zegel (MiNr. 9a) zijn nog grotere restbestanden bewaard gebleven, zodat ongebruikte zegels eerder de regel dan uitzondering zijn en echt gebruikte exemplaren duurder gehandeld worden. De eerste oplage van de deelbare zegel daarentegen (MiNr. 9b) is ongebruikt uitermate zeldzaam. De prijsnotering in de Michel-katalogus geeft de werkelijkheid niet weer, iets dat men zich zal realiseen zodra men probeert een dergelijke zegel ongebruikt te vinden.

De spannende doorstoken uitgaven

De periode van medio 1864 is een hele spannende in de Braunschweigse filatelie. Het postvolume was vergeleken met de begindagen inmiddels aanzienlijk toegenomen, en men wilde door middel van perforatie, beter gezegd een primitieve vorm van doorsteek, het arbeidsintensieve en tijdrovende uit vellen knippen van zegels versnellen. De Braunschweigse post had met deze vorm van perforatie nog geen eigen ervaring opgedaan, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze hiermee eerst een aantal verschillende doorsteekproeven doorvoerde. Een klein aantal vellen van enkele op dat moment nog regulier voorhanden zegels waarmee perforatieproeven zijn doorgevoerd is echter ook postaal opgebruikt! De oplagen van deze zegels zijn dus uitermate klein, en echt gebruikte doorsteekproeven, zeker met volledig intakte doorsteek, zijn zeer zeldzaam.

De perforatievorm kon kennelijk wel de goedkeuring van de Braunschweigse postdirektie wegdragen, en eind 1864 werden de gangbare reguliere zegels nu ook voorzien van doorsteek in omloop gebracht (MiNr. 13A, 15A, 16A; Afb. 6). De 1 Silbergroschen zegel werd in een volledig nieuwe kleur, geel op wit papier, in twee doorsteekvariaties in omloop gebracht (MiNr. 14A, 14B). Een officiële eerste dag van uitgifte bestaat niet. De Braunschweigse post beschouwde de perforatievorm niet als aparte uitgave, en bracht de zegels binnen korte tijd onaangekondigd in omloop. Met name de doorstoken drukwerkzegel van ⅓ Silbergroschen (MiNr. 13A) is gebruikt zeldzaam, en geldt als één van de duurdere reguliere zegels van Braunschweig. De zegels waren primitief doorstoken, en werden ondanks deze perforatiemethode veelal nog steeds met een schaar uit de vellen geknipt, zodat exemplaren met volledig intakte doorsteek aan alle zijden minder eenvoudig te vinden zijn. Met name bij de proefdoorsteken is het verstandig alleen aktueel BPP-gekeurde exemplaren aan te schaffen.

De laatste uitgave uit 1865

Kort voor het einde van de postale zelfstandigheid kwam de Braunschweigse post nog met een volledig nieuw ontwerp en uitgave in oktober 1865, in filatelistische kringen veelal als ‘wapenzegel’ aangeduid. Wederom stond het springende Welfenros centraal, nu uitgevoerd in preegdruk in een staand ovaal. De kleuren van de zegels en postwaardestukken waren, met uitzondering van de zwarte ⅓ Groschenzegel, aangepast aan de gangbare postverenigingskleuren voor elke afstandscategorie (Afb. 7, 8). Van de laatste postverenigingsuitgave zijn eveneens nog grotere restbestanden bewaard gebleven. Echt gestempelde exemplaren worden duurder gewaardeerd dan ongebruikte exemplaren, die nog in grote eenheden voorhanden zijn.

Een liefdesgeschiedenis van twee verloofden

Uit deze periode dateert ook een bewaard gebleven romantische correspondentie van twee verloofden, Auguste Siedentopf uit het kleine Flechtorf bij Lehre en de leraar Heinrich Heuer uit Goslar, dan gelegen in het aangrenzende koninkrijk Hannover. Beide geliefden onderhouden een intensieve briefwisseling, maar het kleine Flechtorf wordt alleen door de postkoets op de route van Vorsfelde naar Braunschweig aangedaan om daar de paarden te wisselen. De brieven die rechtstreeks bij de postiljon werden opgegeven kenmerken zich dan ook door vele handgeschreven postale kenmerken, die soms door tijdgebrek pas tijdens het resterende deel van de reis werden aangebracht, soms pas door middel van een poststempel in Braunschweig (Afb. 9). Hoewel de inhoud van de brieven de tijd niet overleefd heeft, bevinden zich op vele brieven aan de binnenzijde van de flap vaak nog zeer persoonlijke liefdesgroeten, die ons ook na 160 jaar op intieme wijze fantastisch deelgenoot maken van vervlogen tijden.

Braunschweig ook anders verzamelen

Het hertogdom Braunschweig was ook een van de eerste Duitse staten die in juni 1865 het systeem van geld overschrijven sterk vereenvoudigde, door het invoeren van postwissels met ingedrukte waardestempels. Hoewel dergelijke kaarten na uitbetaling bij de post verbleven, hebben we dankzij latere openbare veilingen de beschikking over veel filatelistisch interessant materiaal, dat zich met de verschillende drukken en versies uitermate leent voor het opzetten van een afzonderlijke verzameling. Additioneel met zegels gefrankeerde postwissels komen om uiteenlopende redenen voor, zoals bijvoorbeeld ten gevolge van het toevoegen van briefmededelingen, iets dat niet toegestaan was en door de post streng werd nageleefd (Afb. 10). Dergelijke postwissels vormen uiteraard een bijzonder mooie toevoeging, die ook de soms precisieuse handelswijze van de post uit die tijd tot leven brengt.

Een spannend, maar ook uitdagender deelgebied vormen de buitenlandse brieven van het hertogdom Braunschweig. Dergelijk materiaal is door de relatief weinig bewaard gebleven stukken sowieso schaars tot zeer zeldzaam, maar vormt door de combinatie van zegels, verzendingswegen, bestemmingen en tarieven ook een uitdagend gebied. Als dan meerdere facetten samenkomen op één brief, kan het filatelistische hart wel eens sneller gaan kloppen.

Stempelverzamelaars komen bij Braunschweig vol aan hun trekken. Naast de al eerder genoemde voorfilatelistische stempelveelzijdigheid, werden in het hertogdom Braunschweig in 1856 ook door het gehele land nummerstempels ingevoerd, waarbij aanvankelijk een alfabetische volgorde werd gehanteerd bij het verdelen van de nummers. Het aantal vergeven nummers is overzichtelijk: 50 stuks, inclusief het slechts heel kort in gebruik geweeste noodstempel ’50.’ uit Braunschweig, waarvan de beroemde ‘Krupp’-brief niet lang geleden weer op een Duitse veiling was. De nummerstempels laten zich uitermate goed verzamelen op verschillende uitgaven, en zijn dan ook een gewild onderwerp. Met de overgang naar het Noordduitse Postbezirk op 1 januari 1868 eindigde de postale zelfstandigheid van het hertogdom Braunschweig. Naast de postwaardestukken die overdrukt werden opgebruikt werden uiteraard de gangbare (nummer)stempels aanvankelijk gewoon verder gebruikt. De verder gebruikte Braunschweigse stempels op NDP-zegels vormen dan ook, mede door de vele nog mogelijke vondsten en lage prijzen, een geliefd verzamelonderwerp.

Er zijn nog vele andere interessante deelgebieden, die hier niet allemaal in detail besproken kunnen worden, maar daarom niet minder veelzijdig zijn. Wat te denken van voorafstempelingen, halveringen, pakketbrieven, postvoorschotten, cholerapost, veldpost, de Franse invloed tijdens de Westphaalse tijd, postkwitanties etc. etc. etc.?

Hopelijk heeft dit overzichtsartikel laten zien dat de filatelie en voor-filatelie van het hertogdom Braunschweig een fascinerend en veelzijdig gebied is voor eenieder, ongeacht het ervaringsniveau en geldbuidel. Het is in ieder geval raadzaam op kwaliteit te letten. Zoals bij vrijwel alle klassieke gebieden komen reparaties nogal eens voor, die soms dermate goed uitgevoerd zijn, dat ze niet zonder meer herkenbaar zijn. Vervalsingen spelen geen grote rol bij Braunschweig. De voorkomende gevallen zijn meestal dermate primitief dat ze zonder veel ervaring al eenvoudig te herkennen zijn. Valse afstempelingen kunnen met name bij de exemplaren waarvan nog grote bestanden zijn overgebleven, en die dientengevolge gestempeld duurder zijn dan ongebruikt, voorkomen. Bij twijfel kan hier de onafhankelijke raad en expertise van derden, zoals de hiervoor opgestelde BPP-keurmeesters, verder helpen. Mocht uw interesse zijn aangewakkerd, dan kan de werkgroep (“Arge”) Hannover + Braunschweig in Duitsland u hierbij op een enthousiaste wijze helpen verder wegwijs te worden in de filatelie van Braunschweig. Ze vormt een onmisbare bron van kennis en ervaring. Voor meer informatie kunt u uiteraard ook altijd contact opnemen met de auteur.

De Duitse Zeitungsmarken van 1939

De Duitse Zeitungsmarken van 1939

Adam van der Linden, lid van de Nederlandse Academie voor Filatelie

Inleiding

Duitsland kent een lange historie met betrekking tot het bezorgen van kranten door de posterijen. Volgens de postwet van 28 oktober 1871 was de “Reichspost” verplicht kranten met een politieke signatuur te bezorgen, die vaker dan eens in de week verschenen. Dit tot een afstand van 15 kilometer rondom de plaats waar de betreffende krant werd gezet/gedrukt. Later werden alle kranten, tijdschriften, vak- en verenigingstijdschriften bij de “Postzeitungsdienst” toegelaten.

De Zeitungsmarken (krantenzegels) die in dit artikel aan de orde zijn, werden vanaf 1 november 1939 uitgegeven in de waarden van vijf en tien pfennig. Ze dienden uitsluitend voor het versturen van kranten naar het buitenland, en wel op een “gecontroleerde” manier. Het tarief voor kranten/drukwerken naar het buitenland bedroeg 5 pfennig per 50 gram (of gedeelte daarvan) vanaf 1.12.1923 tot 1.3.1946.

Twee maanden voor de uitgiftedatum, op 1 september 1939, waren de Duitsers Polen binnengevallen. Meteen daarna verklaarden Engeland en Frankrijk, conform hun verbond met Polen, aan Duitsland de oorlog. Daarmee was de Tweede Wereldoorlog een feit. Een van de gevolgen van de oorlog was dat vanaf dat moment bijna wereldwijd censuur werd toegepast Dat gold in ieder geval voor Duitsland zelf en met name door Groot Brittannië en de Britse Commonwealth. In neutrale landen werd de censuur niet ingevoerd.

Controle en censuur

Alle in Duitsland gedrukte kranten vielen onder de censuur. Dit betekende dat in het binnenland niets werd gepubliceerd zonder dat de Duitse censor het had gezien. Daarnaast werd bij het uitbreken van de oorlog ook postcensuur ingevoerd. Alle zendingen naar het buitenland liepen daarom via de Duitse censuur. Hoewel een direct verband met de uitgifte van de krantenzegels niet duidelijk is, zou het mogelijk zijn dat deze uitgifte van 1 november 1939 verband hield met de behoefte controle en censuur uit te oefenen op kranten die naar het buitenland werden verzonden; dit om te voorkomen dat gevoelige informatie in verkeerde handen viel. De krantenbanden/drukwerken met een overzeese bestemming waarover ik beschik, zijn alle gecensureerd.

Mijn meeste exemplaren zijn echter verstuurd binnen Europa, naar de neutrale landen Zweden, Zwitserland en Spanje. Verder voornamelijk naar de bezette landen, zoals Nederland, België, Luxemburg, Denemarken en bondgenoot Italië. Hoewel niet altijd herkenbaar aan het krantenbandje werd ook alle post naar deze bestemmingen gecensureerd (stempel op krant zelf). Alleen in de eerste maanden van de oorlog, wanneer alleen de censuurkantoren in Berlijn en Konigsberg operationeel zijn, werd de post naar het buitenland niet altijd gecensureerd.  

De betreffende dienstorder vermeldt onder meer:

“Het is niet verplicht voor verzending van kranten met een buitenlandse  bestemming de speciaal uitgegeven Zeitungsmarken te gebruiken; de zegels mogen evenwel niet worden gebruikt voor het frankeren van andere soorten post.

Daarom zullen de Zeitungsmarken uitsluitend beschikbaar worden gesteld aan uitgevers/verspreiders van kranten en pers/nieuwsagentschappen. Het gebruik van de Zeitungsmarken zal aldus worden beperkt tot het bestemde doel.

Losse kranten van andere soorten klanten kunnen worden aangeboden aan het postloket, waar de loketbediende de krant of het drukwerk zal voorzien van de benodigde Zeitungsmarken. Indien na controle het poststuk niet aan de gestelde voorwaarden voldoet, worden de zegels niet afgestempeld en wordt het poststuk aan de afzender geretourneerd, voorzien van de reden en met het advies andere postzegels te gebruiken.

Bij de filatelistische dienst in Berlijn zijn ongebruikte Zeitungsmarken verkrijgbaar; afstempeling op verzoek is niet toegestaan.”

Door genoemde voorschriften zijn gestempelde zegels moeilijk te verkrijgen. Volgens voorschrift gebruikte krantenbanden behoren bij de zeldzamere poststukken uit de periode van het Derde Rijk (1933-1945).

Achtergrondinformatie

Het Berlijnse krantenpostkantoor, met 700 medewerkers, verstuurde jaarlijks ongeveer 600 miljoen kranten en tijdschriften, het merendeel in het binnenland. Honderdduizenden Duitsers ontvingen hun kranten namelijk via een postabonnement. De abonnementen dienden direct aan de (lokale) post te worden voldaan. (Het postkantoor fungeerde daarmee in feite als krantenagentschap.) Het Rijkspostkantoor zorgde voor een stipte aflevering. Van deze service werd voornamelijk gebruik gemaakt door de plattelandsbevolking.

Enkele bijzonderheden over deze emissie:

Uitgegeven op 1 november 1939

Buiten gebruik gesteld op 8 mei 1945, einde WOII

Gedrukt bij de Staatsdrukkerij in Berlijn

Twee waarden: 5 Rpf. (smaragdgroen) en 10 Rpf. (lila-bruin)

Gedrukt in velletjes van 50 stuks, 5 x 10

Verticaal geribbelde geelachtige gom

Watermerk 4, hakenkruis

Kamtanding 14

Op de zegels is een krantenbezorger afgebeeld die over de aardbol snelt.

Er zijn geen oplagecijfers bekend.

Geraadpleegde literatuur

Michel Spezial und Briefe Katalog;

Postgebühren Katalog 1923-1945 Rainer E. Lütgens.

The Philately of third Reich Germany 1933-1945 Robert W. Jones

 

Overzeese bestemmingen

brief Garmisch Partenkirchen

Garmisch-Partenkirchen, 30 maart 1940. Aangetekende drukwerkband met bestemming Cubatao en aldaar doorgestuurd naar Sao Paulo in Brazilië. Tarief: drukwerk 51-100 gram 10 pfennig, aantekenrecht 30 pfennig.Geen zichtbare censuurkenmerken.

 

Neumünster, 6 juni 1940. Krantenband met bestemming Santa Cruz, U.S.A. zwaar drukwerk van 201-250 gram waarvoor 25 pfennig verschuldigd was. De inhoud van het drukwerk was door de censuurdienst van censuur-kantoor Frankfurt niet toegestaan voor verzending naar het buitenland, zie de rode stempel met bijschrift.  

 

 Köln, 22 juni 1940. Krantenband van de Kölnische Illustrierte Zeitung met bestemming Bogota in Colombia. De krantenband is teruggestuurd omdat er blijkens de stempels geen postvervoer mogelijk was.

 

Leipzig, 29 maart 1941. Bestemming Asuncion, Paraguay. Controlestempel “Ab” van het censuurkantoor Berlijn  in rood rond stempel.

 

 Europese bestemmingen met censuurkenmerken

 Köln, 8 juni 1940. Krantenband van de Kölnische Illustrierte Zeitung met bestemming Bos. Gradiska in voormalig Yougo Slavië. Gecensureerd door censuurkantoor Wenen. De krantenband is op 15 juni 1940 teruggestuurd vanuit Bos. Gradiska.

 Köln, 27 juni 1940. Krantenband van de Kölnische Illustrierte Zeitung met bestemming Stara Moravica in voormalig Yougo Slavië. Gecensureerd door censuurkantoor Wenen. De krantenband is op 4 juli 1940 teruggestuurd vanuit Stara Moravica (stempel achterzijde)

 Geisweid, 17 april 1941. Krantenband met bestemming Riehen, Zwitserland. Censuur door censuurkantoor Frankfurt toegepast, zie rood stempel links onder. Zwitserland was neutraal in de Tweede Wereldoorlog.

 Europese bestemmingen zonder censuurkenmerken

Hoewel op de volgende stukken geen kenmerken van censuur zichtbaar zijn,wil dat niet zeggen dat deze kranten niet gecensureerd zijn. Vaak werd het censuurstempel op de krant zelf afgeslagen en is het dus op de krantenband niet zichtbaar. Alleen van de kranten die vóór 1940 verstuurd zijn, is niet met zekerheid te zeggen dat ze gecensureerd zijn. Bij het uitbreken van de oorlog waren er onvoldoende maatregelen getroffen om alle post te censureren.

 Köln, 21 november 1939. Krantenband van de Bremer Nachrichten met bestemming Amsterdam, Nederland.

 

 Köln, 23 november 1939. Krantenband van de Kölnische Zeitung “Stadt-Anzeiger“ met bestemming Heerlen, Nederland.

 Düsseldorf, 2 december 1939. Krantenband van de Deutsche Bergwerks-Zeitung met bestemming Aabenraa, Denemarken. Gecombineerde frankering door een frankeermachine en Zeitungsmarken.

 Stuttgart, 30 december 1939. Krantenband met bestemming Genua, Italië.

Arnsberg, 31 december 1939. Krantenband van het Tremonia Central-Volksblatt met bestemming Luxemburg.

Leonberg, 10 januari 1940. Drukwerkband met bestemming Helsingborg, Zweden. Zeitungsmarken gecombineerd met gewone frankeerzegels.

Bremen, 9 februari 1940. Drukwerkband van de Bank der Deutschen Arbeit A.G. met bestemming Feuerthalen, Zwitserland.

Weimar, 13 april 1940. Krantenband van de Optische Rundschau und Photo-Optiker met bestemming Luxemburg.

Köln, 3 oktober 1940. Krantenband van de Kölnisch Zeitung mit Handelsblatt met bestemming Brussel, België.

Hamburg, 29 november 1940. Krantenband van het Hamburger Fremdenblatt met bestemming Brussel, België.

 

Onjuist gebruik van de Zeitungsmarken

Garmisch-Partenkirchen, 7 januari 1941. Postkaart met bestemming Augsburg. Tarief: binnenlandse postkaart 6 pfennig. Onjuist gebruik van de Zeitungsmarke, niet opgemerkt door de posterijen.

Grönenbach, 29 juni 1940. Nachnahme-karte (onder rembours) met een foutief gebruik van Zeitungsmarken. Tarief: nachnahme kaart 6 pfennig, nachnahme -recht 20 pfennig (slechts 15 pfennig geplakt, niet opgemerkt blijkbaar.

Plattelandspost in Nederland vanaf 1807

Op 1 april 1807 werd voor het eerst in het nieuw geformeerde koninkrijk Holland een nationale postdienst doorgevoerd. Naast de postkantoren kwamen er onderkantoren en bijkantoren. Voor die tijd werd gewerkt met boden, entrepostes, bijkantoren, trekschuiten en postwagens.


Er waren in 1807 in het hele land 50 bijkantoren met een brievengaarder. Vooral in Holland langs de routes van de postkantoren waren er bijkantoren. De naam “kantoren” is te overdadig. Aan huis bij een brievengaarder konden brieven voor verzending worden afgegeven of door de langsrijdende postiljon worden afgegeven voor bestelling in de buurt.

In de tarieflijsten van de postkantoren van 1807 werden de porten voor het versturen van een brief tussen twee postkantoren vastgesteld.

Voor het traject van een bijkantoor naar een postkantoor en vice versa was extra port verschuldigd van 1 of ten hoogste 2 stuivers. Op het platteland werd niet besteld, brieven werden afgehaald van het bijkantoor.

De brievengaarder werkte meestal op provisie. Daarvoor werd per kantoor een contract opgesteld tussen de directeur van het postkantoor waaronder het bijkantoor ressorteerde en de brievengaarder. De provisie was veelal 1 st. voor een te versturen brief en 1 ½ st. voor een te brief van elders.

Vanaf 1 april 1811 werden de Hollandse departementen postaal ingedeeld bij de Franse posterijen met het centrale hoofdkantoor in Parijs. De indeling in soorten kantoren veranderde: postkantoren en distributiekantoren. Die distributiekantoren waren vooral de bijkantoren van voor 1 april 1811. Bij de start waren er 64 distributiekantoren in de 7 Hollandse departementen.

Tussen 1811 en 1829 kwamen daar 91 kantoren bij en tussen 1829 en 1850 nog eens 119 kantoren; zie bovenstaand overzicht.

Oprichting van distributiekantoren

Voor 1811

In 1795 waren Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen door de Fransen bezet en in departementen bij Frankrijk ingedeeld. Hier waren al voor 1 april 1811 enkele distributiekantoren.

In Limburg werd in Horn een eerste Frans distributiekantoor opgericht. Het geschreven merk de Horn is mogelijk van deze distributie.

In Staats-Vlaanderen werden Hulst en Sluis (L’Ecluse) gedegradeerd tot distributiekantoor.

De distributeur bleef zijn afgezonden brieven met de pen merken met Hulst, opvallend op de voorzijde van brieven zoals op postkantoren gebeurde!

De distributeurs werden in eerste instantie op een jaarvergoeding aangesteld, dus niet met provisie per brief. 

De Hollandse departementen van 1 april 1811 tot eind 1813

Promotie na 1 april 1811

In Parijs werd in september 1811 besloten, dat er in Delfzijl (Franse marine), Texel (ook Franse marine) en Heerenveen (hoofdplaats van een arrondissement) nieuwe postkantoren moesten komen. Daarom werden deze drie distributiekantoren gepromoveerd tot postkantoren.

Distributeurs waren niet verplicht hun brieven te merken met een vertrekmerk. Op postkantoren gebeurde dat wel. Met de zogenaamde Franse departementstempels, waarbij het nummer in het stempel het nummer van het departement was.

Toch zijn van enkele distributeurs postmerken van hun distributie bekend uit deze periode:

Bijvoorbeeld van Zwammerdam, plaats langs de postroute Leiden-Utrecht. Al voor 1799 was het bij de Hollandse Statenpost entreposte (tussenkantoor) en vanaf dat jaar is het stempel ZVVAMMERDAM (met de kenmerkende VV i.p.v. de W) op brieven bekend. Ook in de Franse tijd stempelde de distributeur op de achterzijde van brieven met dit stempel.

Een ander voorbeeld van een merk van de vertrekplaats is van het distributiekantoor Buren in de Betuwe. Ook op de voorzijde.

Het koninkrijk der Nederlanden 1813-1850

Het Franse postsysteem werd na 1813 op papier voortgezet. Maar er waren krachten in het nieuwe koninkrijk die streefden naar de situatie van voor 1795, minder centralisatie. De Fransen hadden een gedetailleerde regelgeving voor de post en daarbij voor de uitvoering een strenge controle. In het nieuwe koninkrijk was de regelgeving aanwezig, maar op de controle op de uitvoering werd bezuinigd. Er was te beperkt kennis en weinig ervaring met het postbedrijf. De dienstverlening aan de Nederlanders stond niet centraal, veeleer het exploiteren van een landelijke onderneming.

Degradatie van postkantoor naar distributiekantoor:

Een voorbeeld van degradatie tot distributiekantoor is Texel. De Fransen waren weg en het belang van het postkantoor op Texel was volgens de centrale postorganisatie marginaal. In 1814 werd Texel omgezet van postkantoor naar distributiekantoor. Maar …. De stempels die bij een postkantoor hoorden, werden niet ingeleverd. Ze bleven in gebruik tot na 1860! Dat geldt zowel voor het gewone departementstempel (118/TEXEL) als ook departementstempel voor gefrankeerde brieven (P.118.P./TEXEL). Het (gehate) departementsnummer werd omstreeks 1830 uit het stempel gekapt.

Ook Franeker degradeerde van postkantoor naar distributiekantoor. In de Franse tijd werd de Franeker universiteit gesloten, waarmee het volume van de correspondentie drastisch werd teruggebracht. In 1817 werd Franeker distributiekantoor, tot 1842 toen opnieuw de status van postkantoor werd bereikt.

Plaatswisseling van het ene distributiekantoor naar een ander distributiekantoor

De ontwikkeling van de infrastructuur in de negentiende eeuw is sterk mee bepalend geweest voor de ontwikkeling van de posterijen. Langs de Strobosser Trekvaart tussen Dokkum en Stroobos was er een wisselplaats voor (trek)schepen bij het Kollumer Tolhek. Bij deze wisselplaats was een gelijknamig distributiekantoor gevestigd, met een postale functie naar Buitenpost en Kollum. Van deze distributie zijn mij geen vertrekmerken bekend. Wel bestaan er enkele brieven met op de achterzijde met krijt een aanduiding: opbrengersgeld 1 st. Dat is het bestelgeld voor de loopjongen (letterlijk) die vanaf de aanlegplaats van een trekschip brieven bestelde in Buitenpost of Kollum. In Friesland en Groningen waren de vaarten met trekschepen niet alleen belangrijk voor personenvervoer, maar ook voor briefverkeer.

Rond 1830 werd er tussen Leeuwarden en Groningen gewerkt aan een verharde “steen”weg. In 1832 werd de distributie bij het Kollumer Tolhek opgeheven en daarvoor kwam in de plaats een nieuw distributiekantoor in Buitenpost, meteen in het logement De Posthoorn langs de nieuwe straatweg.

De distributeur van Buitenpost, Douwe Wadman, liet een stempel maken BUITENPOST/D.W. met een ovaal kader. Tot nog toe zijn 2 afdrukken gezien van dit stempel.

Limburg

Interessant is de ontwikkeling van de plattelandspost in Limburg. Rond 1820 was door de centrale postorganisatie een deel van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering overgeheveld naar de provincies. In Limburg werd door de gouverneur rond 1830 de administratieve briefwisseling uitgewerkt. Vooral de schriftelijke communicatie van de gemeenten naar de provincie en andersom moest daarbij gestroomlijnd worden. De Belgische Reactie van 1830 zorgde voor vertraging van de uitvoering van het Limburgse plan. In het nieuwe België werd veel van de Franse postorganisatie overgenomen. Er kwam een fijnmazig net van distributiekantoren en brievenbussen. Bodelopers liepen hun route en hadden per brievenbus een lettercode om hun brieven te merken. Heel aardig is dat bij de vrede in 1839 tussen België en Nederland deze typische Limburgse plattelandspost kon blijven bestaan, ja zelfs uitgebreid in de omgeving van Maastricht.

Provinciale en rijksdistributiekantoren

Ook de gouverneur van Gelderland nam initiatief om de postvoorziening in zijn provincie te verbeteren:

Uitgaande van het bestaande landelijke postnet werden op de witte vlekken op het platteland rond 1828 tientallen provinciale distributiekantoren opgericht. Tussen 1830 en 1850 werden vele van deze provinciale distributiekantoren gepromoveerd tot rijksdistributiekantoren. Bij de voorbereiding van de nieuwe postwet van 1850 werd een inventarisatie gemaakt van de bestaande distributiekantoren. Toen bleek dat in een aantal gevallen onduidelijk was of men met een provinciaal of landelijk distributiekantoor te maken had.

Nieuwe distributiekantoren

Tussen 1814 en 1850 breidde het aantal distributiekantoren zich uit tot 251 in 1850. Er was geen nationaal beleid voor de postvoorziening op het platteland. Stadsbesturen of gemeentebesturen stuurden een verzoek tot oprichting van een distributiekantoor. Soms werd dat toegestaan, vaak ook geweigerd.

Nieuwe situaties zoals de invoering van nieuwe postroutes, aanleg van verharde wegen, vestiging van fabrieken zorgden mee voor nieuwe distributiekantoren.

Vooral nu 1830 kwamen er nieuwe distributiekantoren onder andere in de provincies Friesland (10) en Groningen (9). Hier werd het accent verlegd van transport over water naar vervoer over de weg: sneller en regelmatiger.

Bergum (1848) en Drachten (1848) zijn Friese voorbeelden. Beide sloten aan op de route van de postkar tussen Groningen en Leeuwarden in Hardegarijp. Vooral voor Drachten was dat ongunstig, omdat daarmee de directe briefwisseling via Heerenveen en daarmee over het hele land werd geblokkeerd. In 1849 werd weer directe correspondentie met Heerenveen georganiseerd.

In Groningen werden tussen 1840 en 1845 negen nieuwe distributiekantoren opgericht. Tot 1840 was briefverkeer vanaf de stad Groningen met trekschepen en marktschuiten de normale manier van briefwisseling voor deze plaatsen.

Heel bijzonder was de situatie met het distributiekantoor De Bult, een buurtschap in Oost-Groningen langs de postroute tussen Winschoten en Nieuweschans. De distributie was nodig, omdat er van paarden gewisseld kon worden. Toen rond 1835 de inspecteur van de posterijen op het postkantoor in Winschoten kwam, informeerde hij naar het functioneren van de distributiekantoren in het ressort. “En hoe loopt het met uw distributie in De Bult” was de vraag van de rijksambtenaar aan de directeur in Winschoten. De laatste moest het antwoord schuldig blijven. Was daar een distributie?

Bij onderzoek bleek de distributeur in 1824 gestorven te zijn en nooit vervangen. Zijn naam: Bultena, o humor van de post!

Postmerken van distributiekantoren

Er zijn geen voorschriften over het merken van brieven op distributies. Maar geschreven merken komen veelvuldig voor, meestal op de achterzijde. Stempels werden bijna altijd op eigen initiatief besteld en gebruikt. Vanaf 1829 werd op postkantoren meer uniformiteit in het stempelen voor vertrek en bij aankomst ingevoerd. Met de dagtekeningstempels was na te gaan of een brief eventueel vertraagd was. Bij distributiekantoren werd het merken na 1829 steeds meer een gewoonte.

Enkele distributiekantoren van Goeree-Overflakkee gingen hun oude tractaatstempels (gemaakt door de firma Masson in Parijs) van 1809 opnieuw uit de la halen en gebruiken.

In Hilversum sneed de distributeur met een gutsje een stempeltje HILVERSUM. Na vier jaar gebruik werd een nieuw rondstempeltje gebruikt.

Enkele kantoren breidden de functie van hun postmerk uit met daarbij de notering van de datum van verzending. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Zeist. Zeist bij Utrecht was een relatief belangrijk distributiekantoor met een distributeur en twee assistentes.

Bijzonder is de functie van de stempels van Steenwijk en Wolvega, beide ressorterend onder Heerenveen. Op initiatief van de directeur van het postkantoor in Heerenveen werd gevraagd de postverzending van beide distributies te versnellen.

Daarvoor werden de stempels S/HEEREVEEN en W/HEEREVEEN  vanuit den Haag naar Heerenveen gestuurd voor gebruik in Steenwijk en Wolvega. Brieven gestempeld met een van deze stempels hoefden niet op het postkantoor te worden afgegeven, maar konden meteen met de postiljon mee door naar bijvoorbeeld Leeuwarden. Daarmee werd de bezorging met een dag versneld.

Waddinxveen in Zuid-Holland lag langs de postroute tussen Alphen aan de Rijn en Rotterdam. Daarom was er al in 1773 een entreposte (tussenkantoor). De beheerder van deze entreposte merkte zijn brieven op de achterzijde met een stempel met enkele de letter W. Niet voor iedereen was meteen duidelijk dat hiermee niet Wageningen, Willemstad of  Waalwijk werd aangeduid.

Vanaf 1822 was Schagerbrug in Noord-Holland – langs de route Alkmaar-Den Helder – distributiekantoor. In de eerste jaren schreef de distributeur zijn plaatsnaam op de achterzijde. Maar vanaf 1836 tot 1846 gebruikte hij een stempel SCHAGERBRUG  en stempelde daarmee met rode inkt. Vanaf 1846 is ook een stempeltje STOLPER/BRUG in ovaal kader bekend. Ook Stolperbrug, iets noordelijker, lag aan dezelfde postroute. Bij de inventarisatie bij de centrale postadministratie in 1850 was alleen Schagerbrug bekend als distributiekantoor. Dus er was een raadsel. Oplossing: de distributeur was in 1846 overleden, zijn vrouw nam als distributrice het werk over. En ging even verderop bij iemand in Stolperbrug inwonen, dus was een nieuw stempeltje nodig.

Zeldzaam zijn de brieven met alleen merken van distributiekantoren en niet van een postkantoor.

Een briefschrijver uit Terwispel bracht zijn brief naar het distributiekantoor te Gorredijk. De brief was bestemd voor iemand in Beetsterzwaag, daar was ook een distributiekantoor. De afzender betaalde de kosten vooruit in Gorredijk. In schipperskringen noemde men dat vrachtvrij, bij de post port betaald. Om misverstand te voorkomen werd erbij genoteerd “aan huis”, daarmee aangevend dat de brief bij de geadresseerde besteld moest worden zonder bestelkosten te rekenen.

Hoe zit dat met de provisie e.d.?

De provisie van een distributeur gold lange tijd voor zowel afgaande als aankomende brieven.

Voor afgaande brieven meestal 2 ½ cent per brief en voor aankomende brieven meestal 5 cent per brief.

Maar niet altijd, want de distributeur in Gorredijk inde 2½ cent voor aankomende brieven. Die provisie wordt ook wel collecteloon en distributieloon genoemd. Vanaf 1848 moest een distributeur een brievenbus aan huis hebben. Voor afgaande brieven ontving hij niet meer collectegeld.

Voor het eventueel bestellen van brieven door de distributeur kon deze bovenop het distributieloon bestelgeld vragen. De hoogte was afhankelijk van de afstand tot het distributiekantoor. Voor bestellen buiten de bebouwde kom kon hoger bestelloon gerekend worden. Voorbeeld is de brief van Wangerooge naar Schiermonnikoog. Vanaf Dokkum neemt een bode de brief mee naar Oostmahorn, daar ligt de veerboot naar het eiland en op het eiland moet de brief besteld worden. Vele handen, vele kosten.

Daarmee was briefverkeer voor bewoners van het platteland bijzonder duur. Naast het port tussen postkantoren kwam distributieloon en eventueel nog bestelloon. Dan is nog niet gerekend met gemeentelijke of particuliere boden die in eigen beheer vanaf distributiekantoren naar plaatsen liepen zonder enige postvoorziening.

Circulaire = rondzendbrief

Illustratief voor het besparen op portkosten is het systeem van de rondzendbrief. Vanuit de stad Appingedam via de stad Groningen worden gemeenten geïnformeerd. De brief is geadresseerd aan  de burgemeester van Ulrum. De bode brengt de brief en neemt hem even later op zijn mee naar Kloosterburen om na een korte pauze dezelfde brief door te geven naar Leens. Alles op dezelfde dag met parafen van de lezers.

Aanvullende postvoorzieningen voor 1850

Primaire voorzieningen waren de postkantoren. Secundair de distributiekantoren, waarbij de plattelandspost in Limburg met de busletters en de provinciale distributies in Gelderland. Daarbij werden lange tijd nog (trek)schuiten diligences en postwagens gebruikt voor briefvervoer.

Nieuw was van 1844 het vervoer van brieven met de trein.

Dat gebeurde vanaf 1850 door de posterijen. Daarvoor maakten expeditiediensten en soms particulieren gebruik van treinverkeer. Zie bovenstaande brief uit 1849 van Annhem naar Ede met treinetiket. Vracht: 10 ct in roze inkt aangebracht.

De ontwikkeling van dit verkeer was een zeer goede investering in de verbetering van de postvoorziening, juist ook voor de regelmatige bereikbaarheid van kleinere plaatsen.

Met de nieuwe postwet van 1850 kwam er meer accent te liggen op de service voor het publiek. Distributiekantoren werden hulpkantoren. Distributeurs werden brievengaarders. Er kwamen tientallen nieuwe routes bij.

Inhoudsopgave Notities per Regio / Auteur

Nederland en Overzeese Rijksdelen

C. Adema

   

- De 2 stuiver schuyt stempels

Notities 26 (2001)

p. 3-13

- De Nederlandse Garde Pupilles

Notities 29 (2005)

p. 4-13

- Marketentsters in Napoleons Grande Armée

Notities 30 (2005)

p. 4-13

- Postduif perikelen

Notities 32 (2006)

p. 4-9

- Napoleons Russische campagne en de veldpost naar Holland van de Tweede Grande Armée

Notities 33 (2007)

p. 6-19

- Franse veldpost van de bezette Republiek: 1747-1748

Notities 34 (2007)

p. 3-10

- Brieven van een Hugenootse galeislaaf 1692 – 1705

Notities 35 (2008)

p.3-19

- De Hollandse trekschuitstempels, een filatelistisch raadsel opgelost

Notities 38/39 (2009)

p.3-14

- Geïnterneerd in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog

Notities 46 (2013)

p. 1-10

- De VOC op Kaap de Goede Hoop ; een raadsel opgelost

Notities 49 (2014)

p. 1-24

- De VOC op Kaap de Goede Hoop (vervolg)

Notities 51 (2015)

p. 1-4

- Onbestelbaar

Notities 54 (2017)

p. 1-4

C. Adema en C.F. de Baar

   

- Postroutes tussen de Noordelijke Nederlanden en Italië, Deel 1 briefpost via Keulen ca. 1500-1640

Notities 40 (2010)

p. 3-26

- Nederland tijdens Wereldoorlog II, Verbroken postverbindingen als gevolg van militaire operaties in Europa

Notities 47 (2013)

p. 3-28

C.F. de Baar

   

- De Zeeuwse Landpost – “Een Generale Posterij voor de Zeeuwsche Steden”

Notities 20/21 (1996)

p. 3-92

- Het taxeren en cargeren van brieven bij de postuitwisseling tussen de Noordelijke en Zuidelijk Nederlanden

Notities 25 (2000)

p. 3-12

- Het briefpostverkeer tussen het gewest Zeeland en de Zuidelijke Nederlanden

Notities 27 (2003)

p. 9-96

- De Zeeuwse Beurtvaart

Notities 31 (2006)

p. 3-32

- Van koopmansbode tot postmeester, de internationale brievenposterij in Holland in de 17e eeuw

Notities 41 (2010)

p. 3-20

- Geschreven aanduidingen op oude brieven in de Nederlanden

Notities 42 (2011)

p. 2-10

- Het treinpoststempel AMSTERDAM E

Notities 54 (2017)

p. 2-10

D. Beereboom

   

- Het Inklaren

Notities 28 (2004)

p. 6-32

H. Buitenkamp

   

- Pakketposttarieven naar het buitenland en naar onze koloniën vanaf 1882-I

Notities 1 (1986)

p. 7-12

- Pakketposttarieven naar het buitenland en naar onze koloniën vanaf 1882-II

Notities 2 (1987)

p. 19-24

- Pakketposttarieven naar het buitenland vanaf 1891-I

Notities 3 (1987)

p. 53-56

- Pakketposttarieven naar het buitenland vanaf 1891-II

Notities 4 (1988)

p. 24-28

- Pakketposttarieven naar het buitenland vanaf 1899-I

Notities 5 (1988)

p. 53-55

- Pakketposttarieven naar het buitenland vanaf 1899-II

Notities 6 (1989)

p. 17-28

- Pakketposttarieven naar het buitenland vanaf 1899-III

Notities 7 (1989)

p. 57-60

J. Dehé

   

- Verzamelen in oorlogstijd

Notities 49 (2014)

p. 25-32

L.M. Goofers

   

- De portberekening van Nederlandse veldpostbrieven met het AHOL stempel tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748)

Notities 26 (2001)

p. 26-32

J. Groeneveld

   

- Postkantoor achter prikkeldraad

Notities 37 (2009)

p. 3-22

F.S.J.G. Hermse

   

- Uit de brievenbus

Notities 22/23 (1997)

p. 45-48

- De invoering en geruisloze verdwijning van de postagentschappen in Nederland 1926-2006

Notities 33 (2007)

p. 20-28

J. Hintzen

   

- Postverbindingen van het Zeeuwse Rode Kruis in september, oktober en november 1944

Notities 24 (1998)

p. 5-17

- De Stoomvaartmaatschappij Zeeland en het Centraal Censuurbureau Vlissingen tijdens de Eerste Wereldoorlog

Notities 26 (2001)

p. 14-25

- Aangehouden door Duitschland 1916-1917

Notities 32 (2006)

p. 20-28

- De watersnood van 1953. Posthistorische aspecten in de provincie Zeeland

Notities 33 (2007)

p. 29-36

- Zeeuwse postale aspecten van de Tweede Wereldoorlog

Notities 36 (2008)

p. 12-29

- De Lloyd-Brieven

Notities 37 (2009)

p. 23-32

- Pogingen tot luchtpostvervoer

Notities 38/39 (2009)

p. 29-40

- Tussen H-NACC en Postduif

Notities 40 (2010)

p. 27-40

J.C. Hut

   

- Over treinbrieven en wat hiermee samenhangt – I

Notities 3 (1987)

p. 26-36

- Over treinbrieven en wat hiermee samenhangt – II

Notities 4 (1988)

p. 11-18

- Over treinbrieven en wat hiermee samenhangt – III

Notities 5 (1988)

p. 41-48

J. Ickenroth

   

- De verplaatsing van het hoofdgrenskantoor van Thurn en Taxis van Roermond naar Alpen en Pempelfort

Notities 38/39 (2009)

p. 51-56

- Frans de Bors en portvrijdom in de 18e eeuw

Notities 48 (2014)

p. 3-6

- Baron von Glazenapp

Notities 49 (2014)

p. 33-35

C.J.E. Janssen

   

- Dienstluchtpostbladen

Notities 8/9 (1990)

p. 37-46

- Een opdruk van veertig jaar geleden: 6 op 7½ cent

Notities 11 (1991)

p. 2-7

- Het FRANCO-Takje stempel, het Takje stempel en het “Open-Takje” stempel in gebruik op postkantoren, hulpkantoren en trajecten

Notities 22/23 (1997)

 

p. 3-44

- Paul Citroen, postzegelontwerper

Notities 36 (2008)

p. 30-32

- Automaatstroken, een ‘vergeten’ verzamelgebied?

Notities 38/39 (2009)

p. 57-60

- De dubbele naamstempels van 1929

Notities 44 (2012)

p. 1-8

F. Jorissen

   

- Het ‘Hollande’ type 16 stempel – een posthistorisch raadsel

Notities 42 (2011)

p. 11-19

- Het 'Hollande' type 16 stempel - nieuwe gegevens

Notities 48 (2014)

p. 7-12

A.J. van der Linden

   

- Vijf cent Koningin Wilhelmina type VETH een eenvoudig zegeltje!?

Notities 38/39 (2009)

p. 61-70

- Als portzegels gebruikte frankeerzegels

Notities 50 (2015)

p. 1-12

- Hoe filatelistisch maakwerk kan uitgroeien tot postgeschiedenis

Notities 52 (2016)

p. 25-29

- Ontwaarding achteraf

Notities 53 (2016)

p. 11-22

P.F.A. van de Loo

   

- De enveloppen van Curaçao met dubbel zegelbeeld

Notities 24 (1998)

p. 20-23

C. Muys

   

- Een bijzondere verbinding met Engeland

Notities 13 (1993)

p. 26-28

E.S. Petrusma

   

- Portvrijdom tijdens de inlijving van Zeeland bij Frankrijk

Notities 34 (2007)

p. 23-28

- De staatsspoorwegen in Zeeland

Notities 43 (2011)

p. 10-28

Redactie

   

- Reactie op het artikel het FRANCO-takje stempel etc.

Notities 24 (1998)

p. 24-27

P.E. van Ryen

   

- Het watermerk van de emissie 1852 van Nederland

Notities 11 (1991)

p. 21-26

B. Schuring

   

- Briefkaart Nederlands-Indië

Notities 1 (1986)

p. 5-6

J.F.G. Spijkerman

   

- De Franse stempels van een Brabants dorp

Notities 38/39 (2009)

p. 81-86

W. Stomp

   

- Aangetekende correspondentie Nederland-Frankrijk (2 voorbeelden uit de 18e/19e eeuw)

Notities 14/15 (1993/94)

p. 33-36

J.M.A.G. Stroom

   

- Na 40 jaar POSTCODE nog eens terug naar het begin

Notities 55 (2017)

p. 1-73

R.J.A. Verberne

   

- De ‘Grote Jongens’: de Mercuriusuitgifte van 1929

Notities 46 (2013)

p. 11-30

H.W. van der Vlist

   

- Nederland Port emissie 1887, 2½ cent “TiE BETALEN”, terug van weggeweest ?

Notities 14/15 (1993/94)

p. 2-27

- Maier-vervalsingen in de tentoonstellingscollectie Brasiliana ’93 in Rio de Janeiro

Notities 14/15 (1993/94)

p. 37-44

- Uit welke archieven kunnen brieven met door Maier vervalste of bijgetekende stempels voor komen

Notities 16 (1994)

p. 85-89

- De Nederlandse 1 cent Telegramzegel met kopstaande waarde een Ferrariteit ?

Notities 18 (1995)

p. 3-20

- Onderzoek en registratie afdrukken puntstempels in de stempelboeken PTT-Museum

Notities 22/23 (1997)

p. 49-55

- “Return to Sender” of waren de postverbindingen niet altijd mogelijk met Nederland in 1945

Notities 22/23 (1997)

p. 69-72

- Het ontstaan van de Nederlandse Academie voor Filatelie

Notities 33 (2007)

p. 3-5

E. Voerman

   

- Over verf en papier voor de Plaatdrukkerij van Joh. Enschedé

Notities 45 (2012)

p. 17-22

D. de Vries

   

- Het moderne postvervoer en de nieuwe snelle diensten

Notities 2 (1987)

p. 2-5

- De UPU en het postmonopolie

Notities 5 (1988)

p. 30-36

- Het briefgeheim en de ambtshalve opening van brieven en postpakketten ?

Notities 6 (1987)

p. 2-5

- De UPU, het petit paquet en het C1-etiket

Notities 7 (1989)

p. 30-32

- De SAL-post, de ‘Bastaard’-postdienst naar overzee

Notities 8/9 (1990)

p. 2-6

- Het nieuwe gezicht van PTT post

Notities 11 (1991)

p. 18-20

- DE NEDERLANDSE POSTIDENTITEITSKAART…een miskend filatelistisch fenomeen

Notities 17 (1994)

p. 1-43

H.A. van Vucht

   

- Het Gouvernement-Generaal van de Beneden-Rijn en de implicaties van Sittard 1814-1816

Notities 16 (1994)

p. 90-96

H.B.M. van Werkhoven

   

- Johan J. de Iongh (1915-1999) en het Bossche Huis van Bewaring

Notities 38/39 (2009)

p. 101-108

- Kinderen van de Muntel: Joseph en Guus Voets

Notities 44 (2012)

p. 9-23

- Incidenten bij het postvervoer rond 1850

Notities 47 (2013)

p. 29-36

H. Wiersma

   

- Waar en waarom vanaf 1759 een stempel “S”

 

Notities 45 (2012)

p. 23-34

Overig Europa

   

C. Adema en C.F. de Baar

   

- Twee eeuwen brieven naar Ierland uit conflictgebieden (deel 1)

Notities 52 (2016)

p. 1-24

- Twee eeuwen brieven naar Ierland uit conflictgebieden (deel 2)

Notities 53 (2016)

p. 1-10

H. Buitenkamp

   

- De Russische briefposttarieven tot 1895

Notities 7 (1989)

p. 50-56

- Enkele kanttekeningen bij de post in Bosnië/Herzegowina tot 1893

Notities 8-9 (1990)

p. 21-36

- De tarieven van Bosnië/Herzegowina 1879-1918 - II

Notities 10 (1991)

p. 22-28

- Enkele kanttekeningen over de post in Montenegro tot 1916 - I

Notities 11 (1991)

p. 7-17

- Enkele kanttekeningen over de post in Montenegro tot 1916 - IÌ

Notities 12 (1992)

p. 2-12

- Het pakket uitwisselingskantoor Basel 17

Notities 12 (1992)

p. 35-43

- De grote kettingbrekers van Slovenië

Notities 29 (2005)

p. 14-23

- De perforaties van de Sloveense Grote Kettingbrekers

Notities 30 (2005)

p. 14-23

- Poststempels SHS, toonbeeld van nationalisme, deel 1

Notities 32 (2006)

p. 10-19

- Poststempels SHS, toonbeeld van nationalisme, (deel 2)

Notities 36 (2008)

p. 3-11

- Poststempels SHS, toonbeeld van nationalisme, (deel 3)

Notities 41 (2010)

p. 21-28

V.T.J.M. Coenen

   

- Allenstein – Olsztyn

Notities 29 (2005)

p. 24-32

- Het Reichsehrenmal Tannenberg

Notities 30 (2005)

p. 24-32

- Verbindingspost van Grodno

Notities 38/39 (2009)

p. 15-18

G. Coutant

   

- Oekraïne, geschiedenis en filatelie

Notities 51 (2015)

p. 5-16

P. Daverschot

   

- De Russische stempels op de ‘Wiley Post’ brieven van 1931

Notities 14/15 (1993/94)

p. 45-50

F.S.J.G. Hermse

   

- Een aardig triplet

Notities 24 (1998)

p. 18-19

- Turn at Kinnegad

Notities 28 (2004)

p. 3-5

- Inflatie in Oostenrijk 1918-1925

Notities 38/39 (2009)

p. 19-28

A. Hulkenberg

   

- Van de uitvinding van de pakketkaart tot de Danziger kurkstempels: de strijd om de opgeplakte postzegels

Notities 38/39 (2009)

p. 41-50

F. Jacobs

   

- Zoekdienstkaarten - I

Notities 1 (1986)

p. 13-16

- Zoekdienstkaarten - II

Notities 2 (1987)

p. 6-12

- ‘Ganzsachen’ 1.Kontrollratsausgabe - I

Notities 5 (1988)

p. 36-40

- ‘Ganzsachen’ 1.Kontrollratsausgabe - II

Notities 7 (1989)

p. 33-40

- ‘Ganzsachen’ 1.Kontrollratsausgabe - III

Notities 8-9 (1990)

p. 12-20

- De TIENVOUDIGE FRANKERINGEN uit de tijd van de geldsanering in de periode 21,24/25 juni tot en met 31 juli 1948 in Duitsland

Notities 10 (1991)

 

p. 2-17

- Geldsanering, Duitsland 1948

Notities 14/15 (1993/94)

p. 28-32

- Het bewaarstempel (‘Friststempel’) op rembourszendingen (Nachnahmesendungen) in de Duitse filatelie

Notities 19 (1995)

p. 16-32

C.J.E. Janssen

   

- De oudste papieren ‘zegels’ ter wereld

Notities 34 (2007)

p. 11-22

- Horizon labels in Groot-Brittannië

Notities 45 (2012)

p. 1-16

J.L. Jvangean

   

- Spitsbergen – Svalbard – De filatelie rond het eerste radiostation op Spitsbergen (vanaf 1952 Svalbard geheten)

Notities 6 (1989)

p. 6-16

- Spitsbergen – Svalbard – de aantekenstempels en de aantekenstrookjes die werden gebruikt in de meest noordelijke provincie van het Koninkrijk Noorwegen

Notities 8/9 (1990)

 

p. 7-11

- Jubileum 50 jaar ‘Wereldpostvereniging’ (UPU) – 1924 – in Zweden

Notities 14/15 (1993/94)

p. 51-59

- De particuliere lokaalstadspost van Zweden – 1856-1889 - I

Notities 16 (1994)

p. 61-84

- De particuliere lokaalstadspost van Zweden – 1856-1889 - II

Notities 18 (1995)

p. 21-28

A.J. van der Linden

   

- Postwurfsendungen in Duitsland

Notities 35 (2008)

p. 20-26

- Ontwaarding achteraf

Notities 53 (2016)

p. 11-22

M. van der Mullen

   

- Duitse post tijdens de Eerste Wereldoorlog in een door België geannexeerde strook Noord-Frankrijk

Notities 38/39 (2009)

p. 71-80

C. Muys

   

- Een bijzondere verbinding met Engeland

Notities 13 (1993)

p. 26-28

H.P. Soetens

   

- Censuur op post van en naar het Ottomaanse Rijk gedurende de Eerste Wereldoorlog - I

Notities 3 (1987)

p. 41-46

- Censuur op post van en naar het Ottomaanse Rijk gedurende de Eerste Wereldoorlog - II

Notities 4 (1988)

p. 19-23

- Censuur op post van en naar het Ottomaanse Rijk gedurende de Eerste Wereldoorlog - III

Notities 7 (1989)

p. 41-49

- Franse post naar en van de Levant – Veranderingen in het port in de periode 1848-1849

Notities 10 (1991)

p. 19-22

- De kaders op de briefkaarten van Servië

Notities 12 (1992)

p. 13-22

C. Spoelman

   

- Paris – HS 2 – Gare d’Orléans – 1854

Notities 3 (1987)

p. 36-37

W. Stomp

   

- Aangetekende correspondentie Nederland - Frankrijk (2 voorbeelden uit de 18e/19e eeuw)

Notities 14/15 (1993/94)

p. 33-36

R.J.A. Verberne

   

- De opkomst van het Derde Rijk. De rol van de propaganda in de periode tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog

Notities 38/39 (2009)

p. 87-100

H.W. van der Vlist

   

- De strafport van Frankrijk (1910)

Notities 13 (1993)

p. 2-14

A. Voorbraak

   

- De Edinburgh “Brunswick Star”

Notities 22/23 (1997)

p. 56-58

D. de Vries

   

- De avonturen van een postpakket

Notities 2 (1987)

p. 13-18

- Reacties van lezers (op: De avonturen van een postpakket)

Notities 4 (1988)

p. 2

- Oorsprong en ontwikkeling van stukken met aangegeven waarde in het Franse postwezen

Notities 3 (1987)

p. 47-52

- Chronopost …. het Franse antwoord op de particuliere postdienst

Notities 5 (1988)

p. 49-52

- Het briefgeheim en de ambtshalve opening van brieven en postpakketten?

Notities 6 (1989)

p. 2-5

- Ambtshalve opening….en nog wat!

Notities 10 (1991)

p. 17-18

- De speurneuzen van Libourne

Notities 13 (1993)

p. 29-32

Afrika

   

J. van den Berg

   

- De briefkaartformulieren van Mauritius

Notities 54 (2017)

p. 7-26

L. Selis

   

- Postwaardestukken Congo-Vrijstaat (État Indépendant du Congo) Deel 1 1886-1897

Notities 50 (2015)

p. 13-30

- Postwaardestukken Congo-Vrijstaat (État Indépendant du Congo) Deel 2 1897-1908

Notities 51 (2015)

p. 17-30

Australië

   

W.F.M. Tukker

   

- Adams Tattersall’s

Notities 42 (2011)

p. 20-28

- Filatelistische briefkaartcorrespondentie naar Hermann Burchardt

Notities 48 (2014)

p. 13-24

Midden Oosten

   

H.P. Soetens

   

- Sondermission von der Goltz

Notities 1 (1986)

p. 2-5

Noord-, Midden- en Zuid Amerika

   

P. Daverschot

   

- De eerste vlucht over de Zuidatlantische Oceaan in 1922

Notities 4 (1988)

p. 3-11

- The Hungarian-American Ocean Flight in 1931

Notities 12 (1992)

p. 23-34

- Een onbekende Lindbergh-brief

Notities 19 (1995)

p. 3-15

- Primo volo transatlanticain formazione di stormo 1930-1931

Notities 43 (2011)

p. 3-9

C. Spoelman

   

- Postwaardestukken van Honduras-I

Notities 13 (1993)

p. 15-25

H.W. van der Vlist

   

- “Return to Sender” of waren de postverbindingen niet altijd mogelijk met Nederland in 1945

Notities 22/23 (1997)

p. 69-72

D. de Vries

   

- De verzending van correspondentie via het buizenpostsysteem te New York

Notities 3 (1987)

p. 38-40

Subcategorieën